is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

746

RITSCHL

Rothe (zie het artikel) te hooren. Maar Rothe overtuigde hem niet en zoo ging hij naar Tübingen en werd hij een geestdriftig aanhanger der Tübinger school, ln 1846 publiceerde hij eerst een boek Das Evangelium Mardons and das kanonische Evangelium des Lukas en daarna „habilitierte" hij zich te Bonn als privaat-docent in de Nieuw-Testamentische vakken. In 1852 werd hij daar tot buitengewoon hoogleeraar benoemd. Stond hij in zijn Die Entstehung der Alt-Katholischen Kirche (1850) nog geheel op 't standpunt van Baur, allengs keerde hij zich toch van hem af en in 1856 kwam het tot een breuk. In 1855 werd hem vergund ook Kerkgeschiedenis en de Historie van het Dogma te doceeren. In 1859 werd hij te Bonn en in 1864 te Göttingen tot gewoon hoogleeraar benoemd. Zijn hoofdstudie werd nu de Dogmatiek en als zoodanig werd hij de stichter eener school, die grooten invloed verkreeg. Omstreeks 1870 was hij een beroemd Theoloog. Benoemingen naar Straatsburg en Berlijn sloeg hij af. In 1881 werd hij door de juridische faculteit te Göttingen | benoemd tot Doctor Juris. Zijn hoofdwerk is: Die Lehre von der Rechtfertlgung und der Versöhnung (drie deelen), waarvan drie drukken verschenen zijn. Herrmann, Harnack, Kaftan, Kattenbusch, Loofs, Reischle, Siebeck en Haring zijn Vermaarde Ritschlianen. Onder hen zijn 3 nuances. Natuurlijk keerden de orthodoxe theologen zich tegen hem en het typeert Chantepie de la Saussaye Jr, dat hij hier van ketterjacht sprak en de bestrijders in een bespottelijk daglicht stelde. In 1877 gaf hij uit zijn niet minder bekend boek Qeschichte des Pietismus. Hij stierf op 20 Maart 1889 en werd zonder de gebruikelijke studentenpraal, waarvan hij zich in zijn leven altijd afkeerig betoond had, begraven.

1. Qroot was in de vorige eeuw de spanning tusschen de religie (het geloof) en de theologie. Duhm, Bernoullli en Troeltsch wilden ze kortweg van elkaar geheel afscheiden. Hiermee was Ritschl het niet eens. Hij stond in de overtuiging, dat zijn Dogmatiek voor kerk en religie veel goeds beloofde. Hij trachtte dan ook zijn dogmatische inzichten te populariseeren in een boekje Der Unterricht ln der christlichen Religion waarvan in 1903 de zesde druk uitkwam. Voor vele docenten en voor alle jongelui was't echter te zwaar. Wie de school van Ritschl wil leeren kennen, raadplege het boekje van Bornemann Unterricht lm Christentum of de lezingen van Harnack over het Wesen des Chrlstentums. Ritschl hield de oude termen bij maar legde daarin een nieuwen inhoud en hoopte op deze wijze de massa tot de kerk terug te brengen. Hij beweerde tegenover de orthodoxe „Neulutheraner" dat hij nog veel meer dan zij op Luther terugging.

2. Ritschl onderging den invloed van Schleiermacher maar hij verwierp toch de stelling, dat niet de Schrift maar de ervaring het object der Theologie is. Vandaar dat hij zich ook keerde tegen de Erlangers (zie mijn Schrift en Ervaring). Dan, al meende Ritschl ter goeder trouw, dat hij niet in de wijsgeerige speculatie noch in de religieuze ervaring maar in de Schriften des Nieuwen Testaments zijn uitgangspunt koos,

toch heeft hij zichzelven misleid en moet ook ■ zijne Theologie tot op zekere hoogte „Ervaringstheologie" genoemd worden. — Volgens Ritschl I mag de Dogmatiek niet zijn de uiteenzetting ■ van de confessie der kerk. Neen, zij moet teruggaan tot het religieus bewustzijn der oorspronkelijke gemeente. Aan het Nieuwe Testament M komt een normatief karakter toe. Tegelijkertijd I toont hij zich een aanhanger der Schriftkritiek door beweringen als deze: meer dan eens is er tusschen de woorden van Jezus en die der apostelen verschil; niet alle overtuigingen, die in het Nieuwe Testament worden uitgesproken, hebben een gezaghebbende waarde. — De dogmatiek moet haar stof vooral putten uit die Nieuwtestamentische geschriften, waarin de Oudtestamentische gedachten nader worden ontwikkeld en minder uit die stukken, die een heiden-Christelijk stempel vertoonen. — Van alle confessie's is de Luthersche het meest in 1 overeenstemming met het Nieuwe Testament. ■ En boven het Calvinisme heeft zij voor, dat zij ■ niet van ons eischt, dat we alles wat daarin beleden wordt, zullen aannemen als vertolking ■ van Nieuwtestamentische leeringen. Bij de uit- ■ legging van de Heilige Schrift mogen we ons ■ dan ook niet binden aan de Confessie, maar ■ „die Auslegung der Heiligen Schrift" behoort ■ „aus ihr selbst" te geschieden, en de „Bijbel- ■ sche Theologie" is dan ook niet een systeem ■ van teksten, die als Schriftbewijs moeten dienen ■ voor de dogma's der kerk, maar een reeks van 1 religieuze gedachten. — Uit de Theologie moet ■ de wijsbegeerte gebannen. Gedurig heeft Ritschl ■ deze stelling bepleit en hij meende, dat het I hem gelukt was de noodige scheiding tusschen 1 beide tot stand te brengen. Maar ook op dit ■ punt vergiste hij zich. Uit zijne geschriften I blijkt, dat hij meermalen onder wijsgeerigen ■ invloed de geopenbaarde waarheid te nakwam. ■ Zelfs zou uit de consequente doorvoering van | zijne kennis-theorie volgen, dat God, de Chris- ■ tus en de Heilige Geest geen reëele objecten ■ zijn maar alleen dingen, die in ons bewustzijn ■ bestaan. — Het gaat volgens hem in de religie en I in de Theologie niet allereerst om zijns-maar om H waardeeringsoordeelen. De wetenschap is het 1 om de waarheid te doen. De Theologie en de || religie vragen: Wat brengt ons troost, vrede en 1 kracht in dit moeitevolle leven?

3. De hoofdpunten van Ritschl's Dogmatiek II zijn de leer over God en die over het Godsrijk. ■ De ware Gods-idee is te vinden in den naam „Vader", welke openbaringsnaam de specifiek Christelijke naam is, die door Jezus ons is be- 1 kend gemaakt. De Heilige Geest is de kracht Gods, die de gemeente in staat stelt, zich de ] openbaring van God als Vader door Zijnen Zoon {I Christus toe te eigenen. Onder het Godsrijk verstaat hij de zedelijke vereeniging van het menschelijk geslacht, handelend uit het motief der liefde tot God en onze medemenschen. Het j is tegelijkertijd een gave Gods en de roeping der menschheid. Christus was de door God gezonden profeet, het Oerbeeld van de religieuze bestemming van de leden der gemeente, de i Zoon Gods, die het werk Gods volbrengt en ons God zoo volkomen heeft geopenbaard, dat j