is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

768 RÖMULUS

Homulus, naar de sage der oudheid de stichter en eerste koning van Rome; zoon van Mars en Rea Silvia, tweeling-broeder van Remus; met dezen te vondeling gelegd door de moeder, gezoogd door een wolvin, door Faustulus gevonden. Op rijper leeftijd is Remus door Romulus gedood, nadat deze aan de boorden van den Tiber het begin van de stad Rome gebouwd had, en den grondslag gelegd had voor een aantal staatkundige instellingen. Romulus stierf na 37-jarige regeering (753—716 voor Chr.) en werd onder den naam Quirinus te Rome vereerd. In mijn bezit is een oud muntstukje waarop afgebeeld zijn Romulus en Remus door de wolvin gezoogd; de keerzijde heeft een borstbeeld met net omschrift: Urbs Roma. [ 28.

Rondas, oudtijds een beschermingswapen, een soort schild.-Bij de schilden wordt onderscheid gemaakt tusschen de rondas, het grootere zwaardere schild der zwaargewapenden, en het lichtere schild, langwerpig rond. Ze werden meest gemaakt van hout en met geolied rundleder, soms ook met goud, overtrokken, of ook geheel van goud gemaakt. De krijgsman hield het schild in zijn linkerhand door middel van een riem of handgreep aan den binnenkant.

In de Heilige Schrift komt het woord rondas ook voor als beeld van de waarheid Qods (Ps. 91:4), van de goedgunstigheid Qods (Ps. 5:13). [ 28.

Rondkoppen (Engelsch: round heads) was de spotnaam van de aanhangers van het Lange Parlement in den Engelschen burgeroorlog van 1642 tot 1649. Deze naam werd hun gegeven door de Royalisten of Koningsgezinden, wegens hun kortgeknipt haar. [ 28.

Rondpreeken = het naar regelmatige orde optreden van predikanten in de verschillende kerkgebouwen eener groote-stads-kerk.

Ronge (Johannes) (1813—1887). Ronge was een afgezette kapelaan, die al meer dan eens bewijzen had geleverd, dat hij zeer ontevreden was over de Roomsch-Catholieke kerk. Zijn doel was een zelfstandige Duitsch-Catholieke kerk te stichten. Toen in 1844 de bisschop Arnoldi van Trier den daar bewaarden heiligen rok van Jezus ten toon stelde en meer dan een millioen pelgrims daarheen togen, om op de bijgeloovigste wijze den rok te vereeren, zoodat de schare zelfs zong: Singet, singel: dretmal heilig. Drelmal heilig Christi Kleld, toen verhief Ronge zijn stem. Hij deed een brief het licht zien, die echter niet door hem geschreven was, waarin stond, dat Christus aan zijn discipelen zijn Qeest had nagelaten, maar zijn rok aan zijn beulen. Dat sloeg in. Op 4 December 1844 werd Ronge geëxcommuniceerd. Weldra schreef bij zijn Rechtfertigung, waarin hij de Duitsche natie opwekte een vrije nationale synode saam te roepen uit mannen, die door de gemeenten verkozen waren. Het papendom en het Jezuietendom moest voor eeuwig vernietigd, de godsdienst gezuiverd, en de kerk tot hare ware roeping wederkeeren. Met Johann Czerskt stichtte bij een Duitsch-Catholieke kerk, welke een verzameling van vrijdenkers werd. Ronge bleek meer daemagoog dan reformator. In 1848 begaf Ronge zich op politiek terrein. Hij moest uit Duitschland vluchten. In 1861 ontving hij am-

— RONKEL

nestie. Hij ging wonen in Breslau, later in Frankfort a/M. en Darmstadt, waar hij in 1887 stierf. Tot zijn dood redigeerde hij een klein weekblad : Die religiöse Reform. Reeds voor zijn sterven was hij een vergeten man. (Zie art. Duitsch-Catholieke kerk.) [ 24.

Ronkel (Philippus Samuel van), theologisch doctor, candidaat in Overijssel 1860-, predikant bij de Nederlandsch Hervormde gemeente Maasland 7 Juli 1861, te Ijlst 1866, te Zutfen 1868, te Haarlem 1872, te Amsterdam 1873, te Zetten 1881, te Leiden 1883, waar hij tot zijn dood op 24 Juni 1890 arbeidde, was van Israëlietische geboorte en opvoeding. Zijn vader was rabbijn in de stad Groningen, en hij zelf had, nog Jood zijnde, een wetenschappelijke opleiding ontvangen. Hoe hij, na reeds gehuwd te zijn, tot den Christus en diens kerk is gebracht, heeft hij zelf beschreven in zijn boekje: Uithef Jodendom tot den Christus. Ds van den Ham zijn leermeester, doopte hem te Utrecht in de Domkerk. Toen hij het Jodendom verliet, en daarmede zijn maatschappelijke betrekking moest opgeven, vestigde hij zich te Utrecht om les te geven in zeer uiteenloopende wetenschappen, die hij alle beoefende, en waarin hij uitmuntte. Hij was een machtig prediker, een grondig Schriftuitlegger, een gevierd schrijver, een scherpzinnig beoordeelaar van personen en zaken; een man van zeggenskracht en verstand. Meer nog dan Da Costa, Capadose en Schwartz was deze zoon uit Israël ingeleid in de diepte der Gereformeerde Belijdenis, en bezat hij de scherpzinnigheid van geest, die hetgeen van deze belijdenis afweek, historisch te speuren, dialectisch te ontleden en uit gloed van overtuiging wist tegen te staan. Zijn meest bekende werk is zijn De Heilige Schrift in Bijbellezingen (Amsterdam 1877). Deze Schriftbeschouwingen over de eerste boeken van Mozes zijn rijk aan treffende geestelijke opmerkingen die, gegoten in goeden, keurigen stijl, de populaire exegese tot een hooger standpunt wisten op te heffen. Toen hij deze bijbellezingen uitgaf, voorzag hij ze van een sierlijk gestyleerde opdracht aan Dr Kuyper, waarin hij dezen aansprak als „onzen kampioen voor waarheid en recht, wien ik een vriend en broeder mag noemen en tot wien ik evenwel met innige vereering blijf opzien". En hij noemde hem verder „den handhaver der Gereformeerde Waarheid", die „den adel en het onschendbaar recht der Gereformeerde geloofswaarheid voor de vierschaar der godgeleerde wetenschap hebt gehandhaafd en haar als banier der overwinning op de wallen en tinnen der U en ons dierbare Kerk hebt geplant". Door Dr Kuyper te Amsterdam bevestigd, stond hij daar aanvankelijk aan de zijde der Gereformeerden in den kerkelijken strijd. Een voorname rol heeft hij gespeeld in den strijd voor het „vrij beheer" der kerkelijke goederen, die in en door den Amsterdamschen kerkeraad in 1875 is gestreden. Van Ronkel was toen de steller van het korte en fiere antwoord, waarin stond dat de kerkeraad gaarne aan het Classicaal Bestuur de gevraagde inlichtingen zou geven, zoodra dit Bestuur ten genoege van den kerkeraad zijn bevoegdheid had bewezen om zich met bestuurszaken in te laten. Daarmee