is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

770

ROODE KRUIS

dat hij een boekje daarover schreef, dat in bijna alle talen vertaald is, en waarin hij richtlijnen aangeeft voor verbetering. In tal van landen vonden zijn denkbeelden instemming, uit alle landen ontving hij bewijzen van sympathie ook van verschillende vorstelijke personen, vooral van Napoleon III in Frankrijk. Het gevolg hiervan was, dat in 1863 een voorloopige officieuse conferentie werd gehouden; daar sprak men den wensch uit: dat er in alle landen comité's zouden gevormd worden om den militairen geneeskundigen dienst ter zijde te staan in tijd van oorlog; dat in den oorlog alle ambulances en hospitalen, al het personeel van den geneeskundigen dienst en ook de gewonden en zieken onschendbaar zouden zijn; en dat eenzelfde herkenningsteeken zou worden aangenomen ter onderscheiding van alle personen en verplegingsinrichtingen. In 't volgende jaar had nu de Zwitsersche Regeering geen bezwaar een officieele conferentie samen te roepen, die den 8en Augustus 1864 ook te Qenève samenkwam; daar 't Roode Kruis stichtte en den 22en Augustus het beroemde verdrag teekende, waarin de wenschen van de voorloopige conferentie werden vervuld. Toen traden zestien staten toe; dit getal heeft zich later uitgebreid tot meer dan veertig, zoodat nu de geheele beschaafde wereld tot het Roode Kruis is toegetreden. Als herkenningsteeken werd aangenomen een rood kruis op witten grond.

Het bleek echter spoedig, dat de artikelen van het eerste verdrag niet in alle opzichten uitvoerbaar waren en zeer onvolledig; o.a. golden de bepalingen alleen den oorlog te land en niet dien ter zee, zoodat weldra andere conferenties moesten volgen. In 1868 werden op een nieuwe conferentie te Qenève verschillende nieuwe bepalingen er aan toegevoegd, vooral over den zeeoorlog, maar ook dit was niet afdoende en bovendien werd zelfs de geldigheid dezer conferentie bestreden. Zoo sukkelde men met het oude verdrag voort — dat echter in al die jaren toch van groot nut is gebleken — tot 1906. In dat jaar toch is een nieuw verdrag gesloten tusschen alle staten der beschaafde wereld, waarin veel uitvoeriger alles geregeld is. Zoo heeft men in dit verdrag meer nauwkeurige bepalingen gegeven, wat men onder een ambulance verstaat, welk personeel gerekend mag worden tot de Roode Kruis-actie te behooren en dat dit personeel te allen tijde en in elk geval onschendbaar is, maar ook beide legers ter zijde heeft te staan. Op deze conferentie werd ook bepaald, dat een gewonde, die in handen van den vijand valt, niet alleen verzorgd moet worden, maar ook krijgsgevangen is; en dat ieder militair een kenteeken van zijn identiteit moet dragen, opdat steeds een nauwkeurige lijst van dooden, gewonden en zieken kan worden aangelegd en aan de Regeeringen der betrokken landen kan worden gezonden. Ten slotte zij van deze conferentie vermeld, dat Perzië en Turkije wel de verdragen teekenden, maar zich niet konden vereenigen met het kruisteeken; zoodoende vindt men op de ambulances van Turkije de roode halve maan en op die van Perzië een roode Leeuw en Zon op een wit veld.

Na 1864 hebben'Zich spoedig ia allerlei landen vereenigingen „Het Roode Kruis" gevormd, dikwijls uit den nood der tijden geboren. Het eerst ontstond Het Roode Kruis in Pruisen en heeft in den oorlog met Oostenrijk in 1866 zeer veel gepresteerd.

Naast en met het Roode Kruis hebben de organisaties der Orden van Malta en Sint-Jan zich ontwikkeld. Deze organisaties, die reeds ongeveer duizend jaar zich ten dienste hebben gesteld der lijdende menschheid, Vonden in de toepassing der beginselen van Dunant een welkome gelegenheid om met kracht de Roode Kruis-Vereenigingen te steunen. Haar werkzaamheden strekten zich uit tot Duitschland, Oostenrijk, Italië, Spanje, Engeland en ook Nederland.

De band tusschen al die Roode Kruisverenigingen wordt gevormd door een internationaal Comité te Qenève en door de internationale conferenties van het Roode Kruis, die om de vijf jaar te Genève worden gehouden. Helaas is deze band door den grooten oorlog weer verbroken en bestaat er sinds 1919 naast het internationaal Comité te Genève een internationale Liga te Parijs.

In tal van landen bepaalt de actie van het Roode Kruis zich niet tot het helpen van gewonden, maar ook tot het hulp verleenen bij allerlei rampen, zoo ook in ons land.

Terwijl in andere landen door particulier initiatief zulke vereenigingen werden opgericht, was men in ons land nogal traag. Zoodoende deed Koning Willem III, wat zijn onderdanen nalieten en riep bij koninklijk besluit van 19 Juli 1867 een Nederlandsche vereeniging het Roode Kruis in het leven en benoemde een bestuur van een dertigtal vooraanstaande mannen. Weldra werden) in verschillende plaatsen afdeelingen opgericht.

Reeds in den oorlog van 1870 werden er zeven ambulances uitgerust, ieder bestaande uit een paar geneesheeren en eenige verplegers en verpleegsters, die aan en in beide oorlogvoerende landen goede hulp hebben verleend. Dit voorbeeld in '70 gegeven, is later steeds door het Roode Kruis nagevolgd. In bijna iederen oorlog, waar ook, was een Nederlandsche Roode-Kruisambulance om hulp te verleenen; ook in de oorlogen in Zuid-Afrika.

Voortdurend heeft het Nederlandsche Roode Kruis er naar gestreefd en inderdaad met succes ook in vredestijd om: doelmatige inrichtingen, vaste en verplaatsbare, te stichten, waar men gewonden en zieken verplegen kan; om te zorgen, dat er geregeld verplegers en verpleegsters opgeleid werden, die ten allen tijde beschikbaar zouden zijn; om deze vooral ook te oefenen in het vervoer van gewonden; om goed voorziene magazijnen op te richten, waarin allerlei materiaal aanwezig is, ten slotte om geschikte middelen van vervoer (auto's en treinen) ter beschikking te hebben en niet te vergeten een aantal Roode Kruishonden om gewonden op te sporen.

In 1909 werd Z. K. H. Prins Hendrik, die bij koninklijk besluit daartoe benoemd was, geïnstalleerd als Voorzitter van het Hoofdcomité (7 Januari). Daarna kreeg het Roode Kruis nog meer beteekenis voor het lenigen van den eersten nood bij allerlei rampen.