is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROOMSCH-CATHOLIEKE KERK

773

* lichtmissen werden op doek en tooneel met den hoed op een haartje en de tabakspijp In den mond voorgesteld. Zeer ongunstig was, in den aanvang der zeventiende eeuw, het oordeel der Kerk over het tabakrooken. Zij achtte het een teeken van zedenverval, en verbood het „tabacksuigen" met groote gestrengheid. Wie zich tot de gemeente begaven, moesten plechtig beloven „'t fenynige cruyt toeback, een werk ende in-

vciuie ues oaians, te vneoen ais een pestlucht". „Toebackers" werden gecensureerd. Als bewijs voor het ongeregelde levensgedrag, dat verbannen Remonstranten, vooral te Waalwijk voerden, komt ook voor, dat zij zich in „taback suijgen" te buiten gingen, ja soms een gulden of daalder in de week daaraan verteerden. Regenten van arm-, weeshuizen en andere gestichten verboden het misbruik van de tabak op straffe van uitzetting, blok en kerker; zoo ook Maurits aan zijn leger, Piet Hein aan zijn vloot. Synoden, classen, consistoriën spraken er het anathema over uit, en censureerden de rookers, leeraars predikten er tegen; doch tevergeefs; men ging er mee voort. Ook de dichters zwegen niet. Geen bundel zag het licht, waarin geen gedicht voorkwam tot lof of schande van de tabak. Jan Jansz Starter vergoodde de edele tabak. „Daar is geen nutter kruyd als d' edele taback." Ook Cats was geen vijand van het rooken, en wijdde, evenals Huygens, menig gedicht aan de tabak. En de dichter J. van Elslandt zong: „Proponent

uicui&uccicii — uoe je naarstig meaiteeren: — Geen memoriekruid zoo waard — Dat de zinnen zoo vergaart". De Antwerpsche priester Van der Eist daarentegen was een vijand van de tabak, en Adriaan Poorters, de Brabantsche Cats, eveneens. Zoo was er hier te lande in de zeventiende eeuw bijna geen zanger, die de tabak in zijn gedichten niet hemelhoog verhief of diep verachtte. Natuurlijk wordt het „taback suygen" ook genoemd in het Swart register van duysent Sonden, door Ds Hondius in 1679 te Amsterdam uitgegeven. In denzelfden geest spraken ook Voetius, Borstius, De Ridder, d'Outrein, Brakel, Van Til e. a. Predikanten, die smaak in een pijpje hadden, rookten dit in een verborgen kamertje, om geen ergernis te wekken. Langzamerhand echter veranderde ook dit. In de keuken, het salet, in consistoriën en classen, zelfs op de wandeling, gebeft, gepruikt en gemanteld, in kamerjapon en preekrok, zag men predikanten met de lange pflp. Zonder pflp konden ze niet studeeren, en hoe meer pijpen ze rookten, hoe beter de studie vlotte. In 1770 verscheen te Utrecht een boekje, getiteld: „Heilzame raadgeving voor de geleerden in 't gemeen; en inzonderheid voor de predikanten, proponenten en alle andere godgeleerden en openbare sprekers", door den schrijver Van der Arts. Inzake tabak zegt hij: „rooken en snuiven is (voor de predikers) over het geheel schadelijk, vooral als deze er weinig bij drinken; in alle geval moet men zich houden bij den regel, dat het drietal volmaakt is, dus niet meer dan 3 pijpjes per dag; snuiftabak werkt verstoppend en benadeelt de spraak. Een pijpje na de predikatie schaadt niet." Dit oordeel is dus matiger en verstandiger dan dat van Bilderdijk, bij wien

zich overigens verschillende opmerkingen van dezen Arts laten nasporen, maar wiens fulminaties tegen het gebruik van tabak in zijn Aanteekeningen op Huygens, zijn Ntcottaansch kruid en in zijn Ziekte der Geleerden buitensporig zijn. Bekend is voorts de antipathie van Hildebrand tegen de sigaar. Men leze er zijn „Varen en Rijden" in de Camera maar eens op na, waar hij spreekt over de zwakheid van zijn maag en de kuischheid van zijn gehemelte, die hem niet vergunnen „toeback te suijgen". Hoogst eigenaardig is ook een artikel, dat Ds P. Huet in het Augustus-nummer der Stemmen voor Waarheid en Vrede van 1879 publiceerde over Rooken. Hij vertelt daar, hoe hij het gebruik van tabak, waaraan hij op de vreeselijkste wijze verslaafd was, geheel heeft opgegeven. Over rooken op vergaderingen schreef in datzelfde jaar Ds W. H. Gispen een geestigen brief aan zijn vriend te Jeruzalem. [ 30.

Roomsch-Catholieke kerk. 1. Historische ontwikkeling. De Roomsch-Catholieke kerk is voortgekomen uit de aanvankelijk schier onmerkbare, maar al verder voortgaande deformatie (verbastering) van de Apostolische kerk. De eerste sporen daarvan merken wij reeds in de periode van 100—323 na Christus in verschillende phasen; in de hiërarchische scheiding tusschen clerus en leeken, d.i. tusschen de ambtsdragers en de gemeente, die aan het Oudtestamentisch onderscheid tusschen priester en volk herinnert, een loochening van het priesterschap der geloovigen insluit en de pronddwniincr van

het episcopale stelsel bevat, volgens hetwelk het ambt zichzelf voortplant los van de gemeente; voorts in de hiërarchische scheiding van den clerus (de ambtsdragers) in ordines majores of hoogere ambten (bisschop, presbyters of ouderlingen en diakenen) en ordines minores of lagere ambten (lectores, subdiakenen enz.), waarbij een der presbyters tot bisschop werd verheven, aan wien als opvolger der apostelen de presbyters, de diakenen en de lagere ambtsdragers onderworpen waren; verder tusschen de ambtsdragers in de verschillende kerken; de chorepiscopi of landsbisschoppen kwamen onder de stadsbisschoppen te staan; de stadsbisschoppen onder de metropolieten of bisschoppen der hoofdsteden (metropolen); onder de metropolen werd aan de sedes apostolicae (de door de apostelen zelf gestichte gemeenten) en later aan de vijf patriarchaten Antochië, Jeruzalem, Alexandrië, Constantinopel en Rome hooger gezag toegekend; en onder deze streden de patriarch van Constantinopel in het Oosten en die van Rome in het Westen al meer om den voorrang, totdat die van Rome eindelijk de overwinning behaalde. Constantinopel had wel voor dat daar het keizerlijk hof was, maar Rome boog er op, dat Petrus daar de eerste bisschop was geweest, en dat haar bisschoppen zich op de oecumenische concilies steeds rechtzinnig hadden betoond tprwüi

Constantinopel nog al eens afwijkende meeningen voordroeg; en eindelijk door de ontwikkeling der Catholieke kerkidee, d.i. van de Catholieke kerk als de moeder aller geloovigen, buiten en zonder wie geen zaligheid is, tegenover de opkomende ketterijen van het Gnosticisme, Mon-