is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROOMSCH-CATHOLIEKE KERK

775

Catholiek, dat is haar kenmerk en wezen. Dit blijkt bovendien uit haar getalsterkte en uitbreiding. Van de 500.000.000 Christenen zijn ongeveer 270.000.000 Roomschen, 110.000.000 Orieksch-orthodoxen en 170.000.000 Protestanten. Hoewel zij het grootst aantal leden telt, staan er naast haar twee belangrijke kerkengroepen. Ook is zij slechts over een deel der Christenlanden verbreid. De Grieksche kerk vestigde zich onder de Slavische, de Roomsche onder de Romaansche en de Protestanten onder de Germaansche volken. Zoo is zij evenzeer als de I andere kerken beperkt en begrensd.

2. Kerk en Sacramenten. De Kerk is volgens Rome, het door Christus op aarde gestichte zichtbare heilsinstituut. Zij is een vereeniging van hen, die gedoopt zijnde de ware leer van Christus gelooven en belijden onder het opperbestuur van den paus te Rome. Het wezen der kerk ligt bij Rome in het zichtbaar instituut en bepaaldelijk in de ecclesia docens d.i. de leerstand, want de kerk is in den paus begrepen. Haar kenteekenen zijn de eenheid, de heiligheid, de catholiciteit en de apostoliciteit. Zij is de eenige, onfeilbare kerk, die aan alle andere kerken het bestaansrecht betwist Christus deelt Zijn genade alleen door ambt en sacrament mee. Zij is alzoo de eenige middelares tot zaligheid. Van haar is de ecclesia audiëns d.i. de leekenstand, die alleen hooren mag, afhankelijk. Deze heeft alleen tot taak de bovennatuurlijke genade uit de hand van den priester in het sacrament aan te nemen. De zaligheid is uitsluitend gebonden aan het gelooven wat de kerk gelooft; aan de gehoorzaamheid aan de hiërarchie en aan de onderwerping aan den paus. Voorts onderscheidt zij tusschen de ziel en het lichaam der kerk. Alleen die leven in staat van heiligmakende genade behooren tot de ziel der kerk. Een niet-Catholiek, die de heiligmakende genade bezit maakt deel uit van de ziel der kerk, al behoort hij niet tot haar lichaam. En een Catholiek, die in staat van doodzonde verkeert, kan wel tot haar lichaam behooren, maar niet tot haar ziel. Leden van het lichaam der kerk zijn alle gedoopten, die het gezag van den paus erkennen, de ware leer van den paus gelooven en niet door hun misdaden van haar zijn uitgesloten door den kerkelijken ban. Uitgesloten van het lichaam der kerk zijn de ongedoopten {heidenen, mohammedanen en Joden enz.), de ketters die wel gedoopt zijn, maar die de leer van Christus verwerpen, en de schismatieken of scheurmakers, die het gezag van den paus niet erkennen.

Zij deelt de genade uit door de Sacramenten. Het Woord is van minder beteekenis. Zij ziet in de Heilige Schrift en in de traditie geen eigenlijk genademiddel, maar alleen bron der waarheid. Volgens de hervormers, met name de Gereformeerden is het Woord beide, bron der waarheid en middel der genade. Maar volgens Rome is het geloof een bloot verstandelijk aannemen der waarheid, tot de zaligheid onvoldoende en slechts van voorbereidende beteekenis. De eigenlijke zaligmakende genade wordt eerst meegedeeld in het Sacrament. Haar Sacramentsieer is een product der middeleeuwsche scho¬

lastiek. Op schoolsche wijze werd het begrip, de instelling, de bediening, de noodzakelijkheid, het getal, de bestanddeelen, de verhouding tusschen teeken en beteekende zaak, het onderling verschil der Sacramenten, de vereischten voor de uitdeeling en de onderscheiden genade, die zij mededeelen nauwkeurig ontleed en bepaald. Het resultaat van deze ontwikkeling werd door het concilie van Trente aldus vastgesteld, dat alle Sacramenten door Christus zijn ingesteld en zeven in aantal zijn, n.1. doop, vormsel, mis, boete, laatste oliesel, priesterwijding, huwelijk ; dat zij, ofschoon niet alle voor ieder mensch, tot de zaligheid noodzakelijk, en de genade niet alleen beteekenen, maar ook bevatten en haar ex opere operato (door de daad van het gebruik) mededeelen; dat zij door de geordende priesters bediend moeten worden, met uitzondering van de confirmatie en de priesterwijding, die alleen door den bisschop en den nooddoop, die ook door de leeken bediend mogen worden; en dat de ontvangers de intentie moeten hebben om te ontvangen wat de kerk hen mededeelt en aan de genade geen hindernis in den weg leggen. Uit deze sacramentsleer blijkt, dat de band tusschen Woord en Sacrament geheel wordt verbroken. Het Woord heeft slechts een voorloopige en voorbereidende beteekenis. Het geloof dat door het Woord gewerkt wordt is slechts een historisch geloof, dat tot zaligheid onvoldoende is en door de liefde d. i. door ingestorte genade, aangevuld moet worden. En deze ingestorte genade wordt uitsluitend door het Sacrament medegedeeld. Die genade behoeft de ontvanger van het Sacrament niet te bezitten, zij ligt in het Sacrament als zoodanig besloten, en onderstelt alleen, dat de ontvanger geen onoverkomelijke hindernis in den weg legge. De werking van het Sacrament draagt alzoo een physisch en magisch karakter.

3. Schrift en traditie. Bedalve de belijdenisschriften, welke zij met de Grieksche kerk vóór de scheuring in 1054 gemeen heeft, n.1. het Apostolisch symbool, de geloofsbelijdenis van Nicea, 325, enz. zijn haar belijdenisschriften in engeren zin de canones en decreten van het concilie van Trente; de belijdenis des geloofs van Trente, de Roomsche Catechismus en het decreet van de onfeilbaarheidsverklaring van den paus, dat 18 Juli 1870 door het Vaticaansch concilie werd aangenomen.

De Roomsche kerk belijdt, dat de openbaring Gods niet alleen in de Schrift maar ook in de traditie (overlevering) en in de pauselijke interpretatie (de verklaring van den paus) vervat is. Het lezen der Schrift is volgens Rome niet noodzakelijk en voor jeugdige personen en onontwikkelden zeer gevaarlijk, wijl zij vóór duizenden jaren in vreemde talen geschreven en in zich. zelf duister is. De kerk moet haar uitleggen en alleen de paus kan haar onfeilbaar verklaren. Wel is deze pauselijke interpretatie niet met de Goddelijke openbaring gelijk, omdat hfl geen nieuwe openbaringen ontvangt en bij de interpretatie van Schrift en traditie ook niet door de inspiratie, maar alleen door een bijzondere assistentie (bijstand) des Heiligen Geestes geleid wordt, maar zijn verklaring ex cathedra is