is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

776

ROOS — ROOZEMEIJER

toch onfeilbaar en consciëntie-bindend. Zoo onderging de verhouding van de Schrift tot de kerk en haar traditie een radicale omkeering. Bij de kerkvaders en de Scholastieken stond de Schrift nog boven de kerk en de traditie, maar langzamerhand kwam zij naast de traditie te staan, terwijl door het concilie van Trente de traditie boven de Schrift werd verheven. En sinds de onfeilbaarheid van den paus een Roomsch dogma is geworden staat de paus boven de Schrift. Ubi papa, ibi ecclesia, waar de paus is, daar is de kerk. Deze hiërarchie over het leekenelement brengt voor Rome zelf een ernstig gevaar mee. Zij werkt een den Nieuwtestamentischen Christen onwaardige lijdelijkheid in de hand, zij verlaagt de Schrift ten koste van de kerk en zij heeft de instemming van Roomsche theologen als Tyrrel, Loisy, Schell e.a. met de moderne critiek bevorderd. De afval van het Roomsche geloof bij de volksmassa is dan ook hier en daar, bijv. in Frankrijk duidelijk merkbaar. Chamberlain heeft dan ook in zijn Grundlagen des 19 Jahrhunderts een groot verval van het Catholicisme geprofeteerd. Voor dat gevaar heeft paus Pius X in zijn encycliek Pascendi domini gregis met ernst gewaarschuwd en tevens deze nieuwe theorieën, welke de Roomsche kerk trachtten binnen te dringen, veroordeeld. Daardoor is de voortgang van het modernisme bij Rome sterk gestuit, maar of dat gevaar voor de toekomst voor goed geweken is, zal de tijd moeten leeren. Rome bedt door het dogma der onfeilbaarheid van den paus de Schrift aan het menschelijk gezag onderworpen en dat sluit steeds een ernstig gevaar in zich. Zie A. Pierson, Geschiedenis van het RoomschCatholicisme, 4 deelen. F. Nippold, Handbuch der neuesten Kirchengeschtchte II Banden, Elberfeld, 1883. F. Nielsen, Aus dem inner en Leben der katholischen Kirche im 19 Jahrhundert, Karlsruhe, 1882. Kerk en Secte, een reeks monographieën onder redactie van Dr. S. D. van Veen, deel III: Het Roomsch-Katholicisme door Mr. F. Erens enz. Dr. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek2, zie register Dl IV: Roomsche kerk en Theologie. [11.

Roos. Een zeer bekende plantenfamilie is die der roosachtigen (rosaceae), waartoe niet alleen de gewone rozen, maar ook de spiraea's, bramen, frambozen, aardbeien en ganzerikken behooren. De bloemkelk dezer planten is 5-spletig, de bloemkroon 5 bladig, de meeldraden zijn talrijk en (schijnbaar) op den kelk ingeplant, de vruchtbeginsels zijn bovenstandig. De rozen behooren alle tot het geslacht rosa; eenige soorten (hondsroos, duinroos) komen ook hierin het wild voor, bijna alle hebben roode bloembladen, en sommige worden 3 meter hoog. Onze tuinrozen zijn gedeeltelijk variëteiten van de wilde roos of hondsroos (rosa canina), deels zijn ze door kruising van andere soorten ontstaan. Ze zijn gemakkelijk te kennen aan de samengestelde, oneven geveerde, gezaagde bladeren; de met den bladsteel vergroeide steunblaadjes; de aan den stengel onregelmatig geplaatste stekels en aan de schijnvruchten, die rozebottels heeten en uit den besvormigen bloembodem bestaan, waarbinnen de eigenlijke vruchtjes zich bevinden.

Door destillatie verkrijgt men (in Perzië, Bulgarije, Zuid-Frankrijk) uit rozenknoppen rozenolie. Vele planten dragen den naam van roos, hoewel ze niets met rozen te maken hebben, zooals klaproos, stokroos, pioenroos, (Alpenroos, Geldersche roos, Kerstroos, oranjeroos, roos van Jericho. Met de in den Bijbel genoemde roos (Hoogl. 2:1; Jes. 35 : 1) wordt hoogst waarschijnlijk bedoeld de narcis of de herfsttijloos. Rozen kwamen oudtijds in Palestina niet voor; ze zijn er eerst ingevoerd onder de Perzische overheersching. Daarentegen werden en worden er in het voor* jaar geheele landstreken bedekt met paarse anemonen en andere ranu n c ulaceeën, alsmede met allerlei bolgewassen (tulp, lelie, gladiolus of zwaardlelie, look, iris of lisch, scilla, hyacint). [ 31.

Kooversynode (latroclnium Ephesinum). De oude archimandriet Eutyches leerde, dat Christus na zijn menschwording slechts éen natuur gehad had en dat zijn lichaam niet gelijk was aan het onze. De patriarch Domnus van Antiochië klaagde Eutyches aan hij keizer Theodosius II en Theodoretus schreef tegen hem. Nu mengde zich Dioscurus, een hartstochtelijk man, in den strijd. Deze haalde den keizer over om harde maatregelen te nemen tegen Theodoretus en de Syriërs. Inmiddels was Eutyches ook aangeklaagd bilden patriarch van Constantinopel Flavtanus. Deze belegde een synode, waarop Eutyches werd veroordeeld en afgezet. Deze beriep zich op een oecumenisch concilie en op den bisschop van Rome Leo. Het laatste werd ook door Flavianus gedaan. Leo koos de zijde van Flavianus en ontwikkelde in een brief, die hoogstwaarschijnlijk door Prosper opgesteld is, de leer der twee naturen. Intusschen werd door den keizer een oecumenisch concilie saamgeroepen te Ephese in 447. Dioscurus praesideerde. De leer der twee naturen werd verworpen. Flavianus werd mishandeld, en Eutyches hersteld. De gezanten uit Rome vluchtten. Dioscurus sprak over Leo den ban uit. Deze protesteerde bij den kezier tegen deze manier van handelen. Men noemde sinds dien dag deze synode te Efeze een rooversynode. [ 24.

Roozemeijer (Jean Henrl Léonard), Candidaat in Zuid-Holland 1860, predikant te Vleuten 23 Juni 1861, Nieuw-Loosdrecht 1864, Middelburg 26 Augustus 1866, Arnhem 1880, emeritus 1907, overleden 1916. Leerling der Leidsche Hoogeschool, behoorde hij met J. H. Gunning Jr tevens tot de beste en meest invloedrijke leerlingen van D. Chantepie de la Saussaye. Hij stond om zijn theologische ontwikkeling bij de professoren, tot wie Scholten en Kuenen behoorden, hoog aangeschreven, en Saussaye had reden om dankbaar te wezen voor zulk een geestelijken zoon. Hij vertegenwoordigde de ethische richting vooral als exegeet, prediker, dogmaticus voor ontwikkelde gemeenteleden. Hij schreef: Het Christelijk Geloof; Het Evangelie van Mattheus voor de gemeente verklaard ; Het Evangelie vav Johannes; De Brief aan de Romeinen. Uitgebreid was de kring die gaarne las wat Roozemeijer schreef; maar de grootste dankbaarheid gevoelden voor hem zijn toehoorders. Hij was geen schitterend spreker. Beets zeide eens van hem: „HIJ is als Mefi bozeth