is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

784

ROUW

held; de noodzakelijkheid van het contact met de natuur en den (Rousseau-iaanschen) godsdienst. Aanschouwelijkheid bij 't onderwijs en zelfwerkzaamheid van den leerling moeten bevorderd worden; de opvoeding van het hart ga aan die van den geest vooraf; het kind moet zelf hoogere waarden vinden; spreekt 't kind dus niet en nooit over God, godsdienst en zedelijke plichten. We moeten ons geweten volgen, dat vergist zich nooit. „Geweten, geweten, Goddelijk instinct, onsterfelijke en hemelsche stem, veilige gids, rechter • over goed en kwaad, die den mensch Gode evengelijk maakt" — zoo roept hij. Blijkbaar heeft deze gids Rousseau zelf toch nog al eens in den steek gelaten. Van Christus wil Rousseau niets weten. „Hij is in zijn eigen land 2000 jaar geleden op 2000 mijl afstand niet geloofd, hoe kunnen wij hem gelooven?" zoo vraagt hij.

Ofschoon de Emile enkele nuttige praktische wenken geeft, als b.v. over de aanschouwelijkheid bij het onderwijs, is het boek als geheel voor Christenen ten eenenmale verwerpelijk. Het is een door en door goddeloos boek. De vroomheid van Rousseau is zelfaanbidding met een glimp van natuurvergoding.

Het oordeel over de Emile is trouwens in allerlei kringen uiterst ongunstig. Compagné noemde 't werk „in zijn geheel in't oog loopend -onbruikbaar"; Lemaitre: „van het gedeelte, dat rechtstreeksch Rousseau's werk is, heeft men niets kunnen gebruiken"; Klootsema: „het onpraktische droomboek". Slechts enkelen, alsVlal, Chuquet en Bazaülas oordeelen anders. (Zie verder over Rousseau en zijn paedagogiek: Fr. Vict. Claassen, J. J. Rousseau en zijn paedagogiek, Tilburg 1926 en "Dr. H. Bavinck, Paedagogische Beginselen2, 1928.) [ 51.

Rouw. De Oosterling gaf aan zijn gemoedsbewegingen krachtige uitdrukking. Zoo werden bij zwaren rouw de kleederen gescheurd (Job

1 : 20). Men maakte een scheur in zijn kleed, waardoor de van smart doorvlijmde borst bloot kwam (Num. 14 : 6). Het hart was gewond en dit werd gesymboliseerd door het scheuren van bet gewaad (Ps. 34 : 19). Ten bewijze dat het hart ten zeerste gedrukt werd lei men de hand op het hoofd. Tbamar onteerd door Amnon nam asch op haar hoofd en scheurde den veelvervigen rok en zij leide haar hand op haar boofd (2 Sam. 13 : 19; Jer. 2 : 37). De in rouw gedompelde breidde zijn handen, gelijk er staat van Sion (Klaagl. 1 : 17). Het slaan op de borst, in het aangezicht of van welk lichaamsdeel ook is het teeken van diepgaand berouw. Het hart slaat van berouw (1 Sam. 24:6); versmelt (Nah.

2 : 10); bij bekeering en berouw staat er: nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mij zeiven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt (Jer. 31 : 19; Ez. 21:12). Dan trok men zich de haren des hoofds uit en van den baard, en scheurde zijn kleed (Ezra 9 : 3). Job scheurde zijn mantel, schoor zijn hoofd, doch Israël was verboden insnijdingen te maken in zijn lichaam (Jer. 16 : 6; Jer. 48 : 37; Jer. 47 : 5; Lev. 21 : 5; Deut. 14 : 1) hoewel dit wel in zijn midden voorkwam, gelijk de heidenen deden. De tollenaar sloeg zich op de borst

ten teeken van berouw (Luc. 18 : 13). Ten teeken van droefheid en rouw ging men zitten in het stof (Jes. 47 : 1; 2 Sam. 13 : 31). De rouwbedrij vende en bedroefde kan zich niet verheffen noch staan, maar werd neergebogen in het stof (Ps. 44 : 26; 145 : 14; 146 : 8; 147:6). Tot het stof weder te keeren is de diepste vernedering (Oen. 3 : 19). Het afscheren van den baard, en de bovenste lip te bewinden, dat is zijn baard te bewinden, was een teeken van rouw (Ez. 24 : 17). Wie treurt trekt zich terug in zijn bidvertrek, de opperkamer (Judith 8 : 5) en gaat op het dak (Jes. 15 : 2 v.v.). Bij de Perzen mocht men zich niet in het rouwgewaad, den zwarten haren zak, in het koninklijk paleis begeven (Esth. 4 : 2). In Hos. 9 : 4 wordt van treurbrood gewag gemaakt, van brood van rouw; in verband hiermede worde herinnerd dat men bij den rouw over een doode haast niet at, dan wat door de geboren werd gebracht (Gen. 50:4; Ez. 24 : 17, 22). Toen Daniël treurde, at hij geen begeerlijke spijze (smakelijk brood) (Dan. 10 : 3). Bij rouw over een doode verwaarloosde men de verzorging van het lichaam (2 Sam. 12 : 20) en ging barrevoets. Dan werd de harp aan de wilgen gehangen (job 30:31; Ps. 137:2) en gehuurde lieden bedreven rouw, misbaar, vooral vrouwen, die „verstand van kermen hebben", die „het klagen verstaan"; deze zijn de klagers van beroep (Am. 5 : 16). In Ninive brok de koning het rouwgewaad aan op de prediking van Jona; ja, mensch noch dier,rund noch kleinvee, mocht iets proeven, noch grazen of water drinken (Jona 3 : 7). De Schrift eischt van ons dat wij zullen deelnemen in den rouw van den ander (Rom. 12 : 15). Gods Woord maakt onderscheid tusschen eene droefheid naar God en eene naar de wereld (2 Cor. 7 : 10).

Omdat er zoovele dwaze geruchten loopen omtrent de behandeling der dooden bij de joden, dient hier nog het een en ander medegedeeld te worden inzake de hedendaagsche rouwplichten onder de joodsche ceremoniën. Deze rouwplichten moeten gedaan worden bij het overlijden der naaste bloedverwanten: ouders, kinderen, echtgenooten, broeders en zusters, zoowel van vaders als van moeders zijde. Met dat een van deze verwanten sterft komt men in den toestand van klagende en blijft daarin tot na de begrafenis. Dan is aan den rouwdragenden onder meer verboden vleesch en wijn te gebruiken. In dien tijd moeten zij blijven in het huis van den afgestorvene, dat zij geschoeid mogen verlaten indien eigen bezigheden of de aangelegenheid van den afgestorvene dit noodzakelijk maakt. Echter wijl al hun aandacht en tijd in beslag wordt genomen door wat de rouwplichten meebrengen, is zulk een vrijgesteld van de gewone godsdienstplichten. Op den Sabbath zijn ze in geval van rouw daarvan niet vrijgesteld en behoeven zij zich niet van vleesch en wijn te onthouden.

Na de begrafenis treedt de zware rouw in, welke met inbegrip van den begrafenisdag zeven dagen duurt. Dan mogen de rouwbedrij vers hun gewonen dagelijkschen arbeid niet uitoefenen, niet uitgaan, en moeten liefst laag bij den grond zitten. Zij mogen zich niet scheren noch laten knippen, baden, wasschen met warm water en