is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Freek ging hem achterna, den bak met haver voor zich uithoudend. Jan verroerde zich niet, totdat de knecht vlak bij hem was; toen keerde hij hem eensklaps de hoeven toe. De knecht strompelde hem weer achterna, in de versche molshoopen trappend, waarin zijne klompen halverwege verdwenen.

Bij het hek begon het spel van voren af aan; het paard keerde zich om, en galoppeerde, den staart in de hoogte, den kop recht op, naar den anderen kant. Zoo duurde het zeker een kwartier. Freek had geen drogen draad meer aan het lijf, en veegde gedurig het gezicht met zijn mouw af.

Bovendien was hij gestruikeld, en had zeker de helft van de haver gestort. — Jan's huid glom van het zweet, en zijne zijden bewogen zich onrustig op en neer.

De drie hooiers hadden het werk gestaakt, en stonden, op hunne hooiharken geleund, onbewegelijk als landelijke standbeelden, het spel aan te

Eindelijk werd Freek ongeduldig, en hij riep hen toe: „Hei, laat een van jullie eens hier komen, want ik krijg hem anders nooit!"

Oliehoek, die het dichtst bij hem stond, legde zijn hark neder, en ging met groote stappen, het magere lichaam voorovergebogen, naar de sloot,

welige ue grensscneicnng tusscnen ae twee landen vormde.

Plomp, plomp, hoorde hij om zich heen: het waren de kikvorschen, die van den kant sprongen en nu nieuwsgierig met hunne groote oogen boven het kroos uitkwamen.

a8