is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu, maar we moeten hem met wat water uitwasschen," raadde Henk aan, en hij schepte in een kommetje wat slootwater, verwijderde er het kroos uit, en het het toen in een dun straaltje over het been neerloopen.

„Heb je ook een doek bij je?" vroeg Oliehoek. Groote bloeddruppels hepen langs het been, en kleurden het gras donkerrood.'

De twee hooiers schudden het hoofd, maar Freek, die gereed stond om met het paard weg te gaan, haalde een zakdoek te voorschijn, en wierp hem dezen toe.

„Moet ik den meester gaan halen?" vroeg hij zich verwijderend.

„Nee, 't is niet noodig, ik ben zoo weer te been," schreeuwde Jaap Oliehoek hem na.

„Koman," zeide hij tegen de overblijvenden, „als je me nu eens helpt, zal ik opstaan, want loopen kan ik nog wel."

Zij trokken hem op, en Oliehoek stond op één been; het andere durfde hij niet te gebruiken; maar toen hij het eenmaal had neergezet, viel het hem nogal mee.

Werken ging echter niet, en Oliehoek zette zich tegen een hooiberg. Gedurig bekeek hij zijn been; het bloeden schikte vrij wel, maar de wond was tamelijk pijnlijk.

„Als ik in jou plaats was, ging ik naar huis; we zullen wel aan den baas zeggen wat er is gebeurd," zeide Frans.

Naar huis gaan was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Hoe moest hij den weg afleggen? alk

30