is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rijden ging niet, en Oliehoek was nog ruim een half uur van zijne woning, die, voorbij het dorp, aan den straatweg lag.

De drie mannen beraadslaagden, wat het beste was. Eindelijk zeide Oliehoek: „Geef me dien stok, dan zal ik wel naar huis zien te scharrelen."

Hij stond op, en strompelde weg. Heel vlug ging het niet, en het duurde lang voordat de hooiers niets meer van hem zagen.

Oliehoek kroop dadelijk in bed, toen hij in zijn huisje was, want de wond deed hem pijn, en zijne beenen waren stijf en vermoeid.

„Als ik maar wat rust heb, gaat het vanzelf weer over," zeide hij tegen zijne getrouwde dochter, die naast hem woonde, en eens even kwam kijken waarom vader zoo onverwacht te huis was gekomen.

Nadat Ant vertrokken was, lag hij een tijd lang onbewegelijk; maar dat verveelde hem, en om den tijd te verdrijven, stak hij een pijpje op, en vulde de bedompte, vunzige bedstede met tabakswalm. Als hij zijn hoofd omdraaide, zag hij door het venster over den stofferigen straatweg, waarlangs enkele jonge iepen stonden. Veel verkeer was er niet.

Een schommelende hooiwagen, welks wielen piepten en kraakten onder de zware vracht; een paar boeren in blauwe kielen, met hooivorken over de schouders, en een troepje kinderen, die hand aan hand. uit school kwamen, was alles wat hij zag.

Tegen het vallen van den avond, toen schaduwen

3i

3i