is toegevoegd aan je favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daaraan zat de oude boerin, met een koffiekan voor zich, welke omgeven was van grove, witte kopjes. Verder was er brood en koek klaargezet.

Jan was zeer ontstemd, dat hij zijne zuster niet zag, en voordat Van Loon nog goed op zijn stoel zat, vroeg hij aan zijne moeder: „Waar is Kee?"

„Ik geloof boven; ik heb er gezegd, dat ze beneden most komen," antwoordde zijne moeder, maar Jan zag aan haar gezicht, dat er iets aan schortte; en terwijl Van Loon in zijn kom koffie zat te blazen, en een storm in het bruine sop verwekte, ging hij de kamer uit. Hij zocht zijn zuster overal, in de keuken, in het melkhuis, maar nergens was zij, en de meiden hadden haar ook niet gezien. Ten laatste ging hij naar boven, vermoedend dat Keetje op het zolderkamertje zou zijn. De deur was afgesloten. Jan duwde er tegen, en daar hij geraas hoorde, riep hij woedend: „Wil je verdomd wel eens open doen!"

Geen antwoord. Hij duwde met alle kracht tegen de deur, maar deze was van oud eikenhout, zoo hard en stevig als ijzer, en zijne pogingen waren vruchteloos.

Jan bleef nog eenigen tijd staan, vloeken en bedreigingen tegen de deur werpend, maar het hielp niets, en eindelijk ging hij weder naar omlaag.

Van Loon had intusschen eenige dikke boterhammen met koek, doorgespoeld met een half dozijn koppen koffie, naar binnen gewerkt, en sprak nu met de oude boerin over verschillende oude menschen, wederzijdsche kennissen, die door den dood vergeten waren, of reeds op het kleine

Uit het leven.

49 4