is toegevoegd aan je favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen, of Jan vroeg toornig: „Waarom ze niet beneden was gekomen?"

Het kalme, bezadigde getik der klok werd door geen woord verbroken.

„Antwoord dan toch!" zeide Jan, en hij schudde zijne zuster, wier oogen glazig rondkeken, heftig heer en weer. Zij liet zich op een stoel vallen, en begon zenuwachtig te huilen.

Jan trok de schouders op, en liep het vertrek ongeduldig op en neêr; maar de oude vrouw, die haar dochter oplettend aanzag, kwamen opeens verscheidene kleine bijzonderheden voor den geest, welke aan elkaar gepast een geheel vormden; en met de zekerheid, die het vermoeden geeft, zeide zij tot haar zoon: „Ze mot in de kraam."

„Onmogelijk!" riep deze uit.

„Is 't niet zoo?" vroeg de moeder aan Keetje; en het hoofd van de jonge vrouw knikte in het schort, hetwelk zij over haar muts had geslagen.

„En bij wien?" vroeg Jan aan zijn zuster.

„Toch niet bij Willem?" vroeg de moeder, want zij herinnerde zich, dat hare dochter op een kermisavond zoo laat was te huis gekomen.

Keetje antwoordde niet, en de anderen wisten genoeg. Zij waren woedend, niet zoo zeer om het feit zelf, dan wel omdat de zaak niet in orde kon worden gebracht.

Jan had er wat voor gegeven, Willem voor zich te hebben. Woeste gedachten kwamen in hem op, misschien zoo woest, omdat hij onmachtig was. Dikwijls overdacht hij, welk een genot het zou zijn hem af te ranselen, en in een hoek te trappen tot

53