is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snel genoeg naar binnen gleed, nam Looyen een slok water uit een kruik, die naast hem lag.

Anna, het jongste meisje, stond bij een steenhoop, en gooide met stukjes puin naar het huis; maar hare krachten waren te zwak, en zij bereikte geen enkele maal de berookte muren, waaruit half verrotte balken staken, en waaraan lappen smerig behangselpapier hingen.

Mietje was naast haar vader gaan zitten, want de voet deed haar nog pijn, en met den ernst, waarmede kinderen naar de handelingen van groote menschen kijken, zag zij hem de pan leeg eten. Het dubbeltje hield ze zoo stijf vast, dat haar handje pijn deed. Maar de lust bekroop haar, het geldstukje te aanschouwen, en zij opende even hare vingers, en keek in de holte.

„Wat heb je daar?" vroeg haar vader, die gedaan bad met eten, en de stalen vork voor tandenstoker gebruikte.

„O niks vader."

„Nou laat maar eens kijken."

Aarzelend vertoonde zij het dubbeltje.

„Zoo, hoe kom je daaran," vroeg Looyen met een blij gelaat.

„Gevonden, vader."

„Jongens, dat is ook een meevallertje," zeide Looyen tegen zijn ouden kameraad. „Komaan, daar mosten we eens een glaasje van gaan drinken; die stof hindert me al lang in m'n keel."

De twee mannen' stonden op, en het kind zag hen met tranen in de oogen „Het bruine Hert" binnengaan. 140

140