is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe geluiden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Narreliederen, doen verwonderlijk sterk denken aan het „gerechte lam" van Dostojefsky, den Godverdwaasden Kiriloff, en den lichten eentonigen zang van zijn antwoorden als de duistere Stafrogin met altijd borender vragen op hem indringt: „het is goed, ook dit is goed, het is alles goed." — Deze voorkeurloosheid van Van Schagen maakt hem tot een zeer vreemde verschijning in de jonge Hollandsche, zelfs in de jonge Europeesche litteratuur. — De Europeesche dichter zondert immer uit, zelfs zijn drang tot overgave is zonder uitzondering ondenkbaar, en deze kracht tot uitzondering die terzelfdertijd de kracht tot opstand is, tot den verdelgenden en zuiverenden haat, vormt eensdeels zijn eigenaardigste grootheid. Maar altijd ook zijn er midden in dit strijdbare Europa enkele dwazen geweest, die niet verwierpen of aanvaardden, wier onveranderlijke glimlach als de zon scheen over goeden en boozen: over het slachtoffer maar ook over den beul, over den schoonen uit Gods aarde opgeschoten boom maar ook over den blinkenden bijl aan zijn voet, over de geheiligden van geest en over de verwilderden van lust. — Het is onmiskenbaar, dat deze jonge dichter de lange hymne dier Goddelijke onverschilligheid, die in werkelijkheid de dronkenschap aan het leven beteekent, die ten slotte onbedwingbare liefde is, een oogenblik heeft kunnen voortzetten. Het is moeilijk te bepalen, hoe deze vreemde kunst is ontstaan. Behalve de eigen aanleg, eigen voorbestemdheid om den primairen smaak te vinden van het leven, werkt hier ongetwijfeld een scherpe reactie op den uitzonderingslust en de verdeeldheid van den Europeeschen geest, die het leven soms over-moeizaam en leeg heeft gemaakt, en deze reactie werd door Indische invloeden waarschijnlijk wederom bevorderd. Zulk een lied, zulk een bezwering zou spoedig in haar eentonigheid verstommen kunnen, of in minder gespannen oogenblikken tot onduldbare manier kunnen ontaarden. — Maar wat Van Schagen ook nog geven moge, — zeker is, dat dit werk, met dat van Moens en Gijsen in Vlaanderen, één der wezenlijke bewijzen is, hoe ook in onze poëzie, onder alle disputen over modernitei en versvorm, de groote richting zich stil en gestadig bewegen

XXXVI