is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe geluiden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J. C. BLOEM IN MEMORIAM

DE blaren vallen in de gele grachten; Weer keert het najaar en het najaarsweer Op de aarde, waar de donkre harten smachten Der levenden. Hij ziet het nimmermeer.

Hoe had hij dit bemind, die duistre straten, Die atmosfeer van mist en zaligheid, Wanneer het avond wordt en het verlaten Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.

Hij was geboren voor de stille dingen, Waarmee wij leven — maar niet even lang — Waarvan wij 't wezen slaken in ons zingen, Totdat wij zinken, en met ons de zang.

Het was een herfst als nu: de herfsten keeren, Maar niet de harten, na hun korten dag; Wij stonden, wreed van menschelijk begeeren, In de ademlooze kamer, waar hij lag.

En voor altijd is dit mij bijgebleven: Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is; Dat het een daaglijksch wonder is, te leven, En elk ontwaken een herrijzenis.

16