is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe geluiden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARNIX GIJSEN

„Aber es mussen alles Gelegenheitsgedichte sein, dass heisst, die Wirklichkeit muss die Veranlassung und den Stofï-dazu hergeben."

Goethe tot Eckennan, 17 September 1823

MIJN VADERTJE

A/FIJN vadertje; hij was rechtvaardigheid.

IVlHjj had den zwaren last op zich geladen,

een eerlijk man te zijn

in woord en daad.

Dat is het schoone dwaze kwaad

waar na ons Heere Jezus Christus,

de sterkste man aan ondergaat.

Zijn oog was rustigblauw; een verre zee. Zijn woord van blijheid soms plotse fusee in stalen nacht.

Hij lachte rood, en zoende onverwacht mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.

De hooge schepen die de Schelde droeg,

Hij wist hun laden vast en schoon te sturen.

Hij had hun namen hef,

om mee te spelen — als een kind naief;

Karatschi, Pantos, Calcutta,

lijk schoon koralen.

Hij wist de haven; heimwee en verdriet, bij vroegen morgenmist

en in den avond onder luid en rauw sirenenlied.

137