is toegevoegd aan uw favorieten.

Gijsbreght van Aemstel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

120 Wat leed hy niet al leeds van Bisschop en van graef ? Men wou zijn loflijck bloed in 't bisdom niet gedoogen. d'Aertsbisschop aen den Rijn kon met zijn nijdige oogen Niet aenzien ons geluck, gaf Gozewijn de schop, En zette zijnen neef den hoogen myter op.

125 Wy\treden om den staf, tot datze my enWoerden, Aen weerzy van zijn paerd, tot een triomfe voerden In Uitrecht, met veel smaeds, van yeder aengehoort. Men heeft my 't Vrelandsch slot ontweldight, hem

[Montfoort.

'k Beken het slot was my met voorwaerde opgedraegen ; 130 Maer nergens om gebouwt, dan om mijn land te plaegen.

'kHeb 'sgraeven vangenis wel zeven jaren lang

Bezuurt, en Zwaenenburgh noch afgestaen door dwang.

Mijn erf in leen verkeert, en manschap moeten zweeren ;

Daer ick eerst God alleen, en anders geene heeren 135 En kende in mijn gebied, noch rekeninge gaf.

Noch dringtmen evenwel op my zoo stijf en straf.

Doch Haerlem draeght met recht de grootste schuld

[van allen,

Dat om zijn voordeel wrockt, en wenscht mijn stercke

[wallen

Te slechten tot den grond, in schijn van 's graeven zaeck, 140 En weet zijn baetzucht loos te decken met de wraeck, Misbruickt hier toe den Zeeuw, de Hollanders en Vriezen, Om door mijn grootheid niet aen eere te verhezen.

121 T. w. Gozewijn van Aemstel, in 1249 tot bisschop van Utrecht

verkozen; hij trad in 't volgend jaar weer af. 122—124. Die van Keulen n.1., die den zetel voor zijn neef Hendrik van

Vianden begeerde. 125 Staf: bisschopsstaf, bestuur over het bisdom.

132 Welk slot Zwaenenburgh hier wordt bedoeld, is onzeker.

133 Manschap: eed van nulde. 137 Haarlem: de stad Haarlem.

139 Zich houdende alsof de stad tot belang van den graaf en niet haar eigen belang wilde bevorderen.