is toegevoegd aan uw favorieten.

Gijsbreght van Aemstel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

En ick, zijn zoo verblijd, als of we levend worden Getrocken in den troon van Gods volmaeckte vreughd. Ons klooster zingt en klingt. en is niet meer verheughd Op 't allerhooghste feest en heiligh jaergetije,

170 Het welck de kercke viert ter eere van Marije, Die zuivre moedermaeghd, of Christus haeren zoon, Die ons verloste aen 't kruis, en droegh een doorne kroon, Als nu, om uwent wil, die van de wreede plaegen Des goddeloozen krijghs verlost zijt en ontelaegen :

175 Nu al uw vyanden verbaest zijn doorgegaen, Enlaeten tenten, tuigh, en hunne hutten staen, En alles, wat zy meer uw volck ten beste geven, 'k Geloof, Gods engel zelf die heeftze weghgedreven Als 't heir des Assyriers, die zijn vermeetle stem

180 Hiskia hooren liet, tot voor Jeruzalem :

Het welck in eenen nacht zoo wonderlijck verkeerde, Doen een, die 't al regeert, dat stoffen hem verleerde. Hoe menigh dreigement, en vloeck heb ick gehoort? Wat heeftmen gift en gal gebraeckt, en brand en moord

185 Getiert, en 't gansche jaer gescholden en gekreten, Niet anders, of zy u met tanden wouden eten? d'Een zette u levend, en geketent, op een radt: Een ander rolde u naeckt in Velzens spijckervat: Een ander wou uw hoofd, uw beckeneel, vergulden,

190 En vatten in fijn goud. 't Was byster hoeze brulden, En deelden bloed voor wijn, uw vleesch voor voedzel uit, En keven om 't geraemt, en dongen na uw huid, En wouden die getouwt op eenen ketel spannen; Tot endeloozen schrick van schelmen en tyrannen.

195 Maer God zy eeuwigh danck, die hunne boosheid schut.

175 Verbaest: verschrikt.

176 Tuigh: wapentuig.

181 Wonderlijck: wonderdadig.

182 Stoffen: pochen.

193 Getouwt: door voortdurend slaan of beuken bereid tot trommelvel. 195 Schut: stuit, afweert.