is toegevoegd aan je favorieten.

Gijsbreght van Aemstel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131

BADELOCH.

Zeer gaerne, braeve held, vergunne slechs een bede, En ruck, het is mijn wil, dit lemmer uit der scheede, En stoot het door dees borst, en doop het in dit bloed. 1740 't Is beter dat ghy 't zelf dan Vries of Kenner doet, Als ick u heb den geest zien geven door uw wonden, Mijn zoontje zonder hoofd, mijn dochterken geschonden, En hoor al 'thuis vervult met brand met moordgeschreeuw :

Zoo sterf ick noch uw vrouw, geen kinderlooze weeuw. 1745 Zoo magh mijn kind of ghy noch bey dees oogen luicken, Nadien ick 's levens licht niet langer kan gebruicken.

GYSBREGHT.

O gruwel, Badeloch, ben ick van zulck een' aerd, Dat ick een vrouw, en noch mijn eige, met mijn zwaerd, Zoo eerelijck voor haer, voor kinderen, en magen, 1760 En deze goe gemeent, mijn leven lang, gedraegen, Vermoorden zou, gelijck een gruwehjck tyran? Zoo ben ick langer niet uw bedgenoot, uw man : Zoo hebt ghy onbekent dus lange my versleten, En ick mijn Christendom verzaeckt, mijn' plicht

[vergeten.

1755 Hoe laetghe zulck een woord uw' kuischen mond

[ontgaen?

Of wiltghe, dat ick u altzaemen zal venaen, En my aen uwe dood en schennis schuldigh maecken? 't Is tijd om weer te biên. De vyanden genaecken. Het godloos basterdzaed, beweeght door geen misbaer, 1760 Dat onze nicht Klaeris van Velzen, voor 't autaer

1746 Gebruicken: genieten.

1749 Zoo eerelijck voor haer: zoo eervol voor haar gevoerd.

1753 Onbekent dus lange my versleten: zoolang met mij omgegaan

zonder mij te kennen. 1759 Beweeght: bewogen.