is toegevoegd aan uw favorieten.

Landleven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

Als ze all', met de onschuld in 'tgezigt, Zig om mijn tafel schikken;

En aan 't gezegend melkgerigt, Zig koninglijk verkwikken.

En zingen wij dan inniglijk,

Gods lof met blijde tongen, En is 't mij eveneens gelijk

Of de Engelen met mij zongen:

Dan zeg ik vaak, in 't hart vernoegd,

In zijn geringe woning, Heeft hij, die zijnen akker ploegt,

Het beter dan de koning!

Uit den XVden brief.

Zoo even zat ik op de tuinbank. De tuinman snoeide de vrugtboomen, wier knopjes dagelijks zwellen ; de grond lag omgespit, reeds hier en daar bezaaid. Het sneeuwitte ganzenbloempje vertoonde zig naast de roode primulaveris ; de geèle krokus was nog gesloten ; de hepatica en het blaauwe druifje lachen mij aan. Alle deze eerstelingen der lente zijn mij dubbel welkom, als voorboden van schooner bloemen, en hoe zagt vereenigt zig dan 't genot, en de hoop om wellust in mijn ziel te storten. De bijen vliegen er rondom, en het gesnor harer wiekjes is mij mnzijk. Een enkel kapelletje vertoont zig, doch de meeste blijven nog, om de onzekerheid des weders, in hunne celletjes ; waar ik zie, overal zijn de riete daken, vervuld met af-, en aanvliegende duiven, die, onder een vreedzaam gekor, de taal der liefde spreken. De weilanden zijn droog, de