is toegevoegd aan uw favorieten.

Landleven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

Hoe omhoog zich het groen van die blaêren Tegen 't graauw van den uitstek daar beurt:

Heen en weer als het koeltje 't laat varen, Lichtend warm als de middagzon 't kleurt.

't Is een wedstrijd van loover en luister

Die verijdelde worst'hng gelijkt, Daar op eenmaal der gevelkap duister,

Als haar luikjes ter zijde gaan, wijkt!

Heeft dat mollige handje ze ontsloten,

't Geen, nu 't levend gordijn er voor zwicht.

Fluks door stralen van 't westen omvloten, Strekt tot scherm van het bloeijend gezicht?

Slechts haar blondheid, maar kwalijk verborgen Onder 't mutsje, geplooid naar 's landswijs,

Slechts haar lippen, zoo frisch als de morgen Waar zijn rozen hij strooit, geeft het prijs.

Ach ! vergeefs blijkt dat vorschende blikken, Uit de veert' spoedt geen schaduw zich voort,

En wegdeinzende schaamt zij zich- 't schrikken Als 't geklapwiek eens vogels zij hoort.

2 Noch reukwerk van oostersche hoven,

Noch de wierook geplengd voor 't altaar, Gaat in zoetheid het windje te boven Van de geuren des hooiwagens zwaar.

't Daat van verre zijn wellust ons smaken Eer het wag'glend gevaart' valt te zien,

Eer verschrikt door der raderen kraken

Regts en links wij ze op 't voetpad ontvliên.