Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

altijd den. besten waarborg op voor een daadwerkelijke en onpartijdige behartiging van aller belangen.

Een andere klacht, waartoe de wet aanleiding heeft gegeven, bestaat hierin, dat in geval van insolventie tot onmiddellijke en algeheele tegeldemaking van alle voorhanden goederen moet worden overgegaan, óók wanneer eene geleidelijke vereffening een betere opbrengst zou beloven. De wet van 16 Mei 1925, S. 192, heeft tot strekking aan deze klacht tegemoet te komen door na de insolventie voortzetting van de zaak des gefailleerden, dus een geleidelijke tegeldemaking van de voorhanden goederen in plaats van een openbaren of ondershandschen verkoop ineens, mogelijk te maken. De beslissing hierover is al weder feitelijk gelegd in handen van de schuldeischers, van wier medewerking de goede werking der nieuwe regeling voornamelijk zal afhangen.

5 2. Het is een enkele maal voorgekomen, dat een schuldenaar onverhoeds en buiten zijn weten werd failliet verklaard, doordat de oproeping om voor de rechtbank te verschijnen, ten einde op een verzoek tot faillietverklaring te worden gehoord, hem niet had bereikt, ten gevolge van afwezigheid van zijne woonplaats of van eenige andere reden. Wie steeds, ook in geval van afwezigheid, orde stelt op zijn zaken, zal zoo iets niet licht overkomen, erkend moet echter worden, dat de regeling der wet, welke zich bepaalde tot het voorschrift, dat „de oproeping", indien de rechtbank haar beveelt, „geschiedt bij brief door den griffier", (artx 6, lid 1), deze leemte vertoonde, dat de rechter onbekend bleef met het lot van den brief en dus niet kon nagaan, of deze in handen van den schuldenaar was gekomen.

Men heeft daarom voorgesteld oproeping bij deurwaardersexploot: eene wijze van oproeping echter, welke door den wetgever opzettelijk ter zijde was gesteld wegens het daarmede gepaard

Sluiten