Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Vraag 4.

Wanneer gij in uw „Verklaring" zegt: „Zoo spreekt het van den staat der rechtheid en dus van een tijdperk in de geschiedenis der menschheid, dat aan haar geschiedenis zooals wij die alleen kennen n.l. in zonde voorafgaat", bedoelt gij dan daarmede, dat wat God van den staat der rechtheid openbaarde niet als geschiedenis in den gewonen zin van het woord moet worden opgevat, en dat de geschiedenis van den staat der rechtheid ons dus eigenlijk onbekend is?

Vraag 5.

Verwerpt gij elke voorstelling, waarin wat in Genesis 3 ons betreffende den zondeval is medegedeeld, wordt geacht één of ander soort van „inkleeding" te zijn, zij het dan ook met een historische kern?

Vraag 6.

Gij zegt in uw „Verklaring" : „Ook is het vaak moeilijk uit te maken, hoe allerlei bijzonderheden, die Genesis 3 ons bericht, moeten worden uitgelegd.... Denk maar aan „den boom der kennis des goeds en des kwaads", „de slang en haar spreken" „den boom des levens" enz.... Vast staat, dat wij in Genesis 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit, het feit van den zondeval***

Bedoelt gij hiermede, dat alleen dat feit van den zondeval vaststaat, of staat evenzeer voor u vast:

1. dat God aan Adam het proefgebod gaf, zooals Genesis 2 : 16-17 ons meldt?

2. dat de boom der kennis des goeds en des kwaads een werkelijke, door God zelf aangeduide boom is geweest ?

3. dat de slang, waarvan Genesis 3 ons spreekt, een werkelijke slang is geweest, dat zij werkelijk tot de vrouw heeft gesproken, en dat eerst de vrouw en daarna Adam werkelijk van de vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads hebben gegeten? '

4. dat de boom des levens eveneens een werkelijke, door God zelf aangeduide boom is geweest?

Sluiten