Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het woord zal voeren: maar wiens rede, van alle eeuwigheid voorbereid, geen debat toelaat.

Maar al weten wij nu nog niet alles, wij weten toch al iets. Iedereen weet, dat Groenen nooit ontbreekt op zijn post. Terwijl „de" student honderden redenen en voorwendsels heeft om overal te ontbreken, waar hij zijn moet en je hem dus ook

— naievelik — verwacht, is Groenen steeds present: op verenigingsbijeenkomsten, op bestuursvergaderingen, bij dispuutgezelschappen in Leiden en Den Haag, bij godsdienstige konventikels binnen- of buitenkerks, bij algemene reünies, bij intieme klubs. Groenen is overal!

Daar is hij ook Moderator voor!

Neen! daarvoor is hij Vriend. En een vriend die in de godsgave vriendschap een plicht ziet, al vervult hij die plicht met een warmte van hart, die aan teederheid grenst. Groenen is een alles- en allen-om vademend vriend, maar toch... éénzijdig; want bij hem is het altijd geven, nooit nemen. Groenen geeft zichzelf geheel, overal en aan ieder. En al geeft hij van zijn kennis en ervaring — je doet er je voordeel mee!

— hij geeft toch meer van zijn wijde liefde en ziele-grootheid. Dat is edeler gave dan rijpe wetenschap: de pure gave van zijn gouden priesterhart.

Knappe mensen zijn te maken door menselike energie, maar gave gouden harten zijn van hemels allooi: goddelik-karaats door Scheppershand bereid. En juist omdat het een hemels maaksel is, voelt dat hart al het menselike — ook het broze en zwakke — zo zuiver aan.

„Wie kent Groenen niet," als ie binnenkomt, hijgend en puffend, en toch met een lach van joviale jeugdigheid knikkend en groetend tegen de studenten, die hem wachten. Op studentenvergaderingen één en ondeelbaar van lijf, is hij menigvuldig van hart: overal vol attentie en belangstelling. Hier een tik, 'n vlezige tik, op de schouders; daar 'n vluchtige, toch massieve handdruk; ginds een afzonderlik bonjour — al is het ook avond: de studentedag immers begint pas veel, veel later dan die ouwerwetse aartskonservatieve zon nog aangeeft, alsof er sinds de paradijsstaat niets op de wereld veranderd was. En is Groenen eenmaal gaan zitten, dan luistert hij, maar bij spreekt ook, al zwijgt ie meer; en hij doet helemaal niets buitengewoons. Wie immers zou overal-bij-zijn, overal-in-zijn, iets buitengewoons durven noemen? Kijk! in eens springt hij op — dat zou je niet gedacht hebben van dat korpus: maar dé ziele-motor geeft veerkracht, meer dan nodig om de massieve machine in normaal tempo te bewegen. Hij springt niet zó maar op, maar na het woord te hebben gevraagd: de studentewereld heeft zich toch niet heel en al kunnen losmaken van de burgerlike manieren. En Groenen hoest, verzet zijn bril, en hij voert het woord, en weet altijd de juiste toon te treffen. Hoe hem dat telkens zo precies lukt? Dat is blijkbaar vakgeheim, want daar praat ie nooit over.

Sluiten