Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DIENSTWEIGERINGSWET.

STAATSBLAD van het Koninkrijk der Nederlanden (No. 357). Wet van den 13den Juli 1923, betreffende dienstweigering.

(Letterlijke Inhorid.)

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat een regeling, noodig is voor hen, die op grond van hunne overtuiging, dat zij den evenmensen niet mogen dooden, ook wanneer dit ingevolge overheidsbevel geschiedt 1), gewetensbezwaren hebben tegen den militairen dienst;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staren-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goed vinden en verstaan bij deze:

') Inplaats van deze wóórden (vanaf „op grond van . . .") stelden de S. D. A. P.sche afgevaardigden Van Zadelhoff, Duys en K. ter Laan bij amendement voor het woord „ernstige" en gaven daarvoor als toelichting: „Dit amendement bedoelt overeenstemming te brengen met art. 183 der Grondwet, luidende: Bij de wet worden de voorwaarden genoemd, waarop wegens ernstige gewetensbezwaren vrijstelling van den krijgsdienst wordt verleend.

Blijft het in den voorgestelden vorm gehandhaafd, dan wordt aan de gewetensbezwaren van sommigen wèl, van anderen niet tegemoet gekomen.

Dit nu is niet in overeenstemming met het Grondwetsartikel, dat geen onderscheid maakt tusschen de verschillende gewetensbezwaren tegen den krijgsdienst, maar alleen den eisch stelt, dat het „ernstige" gewetensbezwaren zijn."

Het amendement werd verworpen met 41 tegen 24 stemmen (Rechts + Vrijheidsbond tegen Links).

Artikel 1.

Hij, die voor inlijving als dienstplichtige is aangewezen of de militair, die gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van militairen dienst,

a. bepaaldelijk gericht op strijd met de wapenen,

b. van-welken aard ook,

kan zich, met een met redenen omkleed verzoekschrift, tot het verkrijgen van toepassing van artikel 3, wenden tot Onzen Minister van Oorlog, wanneer hij voor de Landmacht bestemd is of daartoe behoort; tot Onzen Minister van Marine, wanneer hij voor de Zeemacht bestemd is of daartoe behoort.

Voor de toepassing van deze wet wordt onder militair verstaan hij die, hetzij als vrijwilliger, hetzij als dienstplichtige, tot de land- of tot de zeemacht behoort, ook gedurende den tijd dat hij met groot verlof is.

Artikel 2.

De betrokken Minister beslist op dit verzoekschrift, na advies van een door Ons ingestelde commissie.

Deze commissie is verplicht den verzoeker op te roepen en hem, bij verschijning, te hooren 2). Vanaf den dag, waarop het verzoekschrift is ingediend, tot dien, waarop de beslissing door den betrokken Minister is genomen, kan de verzoeker van dienstverrichtingen vrijgesteld worden en kan, indien tegen hem wegens ongehoorzaamheid aan eenig

2) Zoowel op de samenstelling als op de werkwijze dier Commissie wordt ernstige kritiek uitgebracht. (Zie blz. 22.)

IO

Sluiten