Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Dr Geelkerken's argumenten.

2. Welke gronden Dr Geelkerken voor dit standpunt aanvoert?

Hij zegt, dat de letterlijke opvatting ons voor „moeilijkheden" plaatst Welke moeilijkheden dat zijn, is der Synode niet met voldoende duidelijkheid gebleken. Maar het schijnen vooral twee dingen te zijn, die hem hier van „moeilijkheden" doen spreken. Het schijnen vooral twee gronden te zijn, die volgens hem voor zijn standpunt pleiten.

De eerste is een schijnbaar-Schriftuurlijke en de tweede een schijnbaarwetenschappelijke grond.

In de eerste plaats toch wijst Dr Geelkerken er op, dat Gen. 2 en 3 ons openbaring Gods brengen omtrent den staat der rechtheid. En in zijn bekende preek-coupure laat hij zich omtrent deze openbaring aldus uit: „En gelijk van den staat der heerlijkheid hiernamaals, van den hemel, zoo kunnen wij ook van dien staat der rechtheid ons alleen een voorstelling maken met behulp van wat wij kennen in deze bedeeling. Als God ons dan ook daaromtrent Zijn Openbaring geeft, dan spreekt Hij daarover, èn van dien staat der hemelsche heerlijkheid, èn van dien staat der rechtheid in bewoordingen, aan onze tegenwoordige aardsche bedeeling ontkend. Anders zouden wij er niets van kunnen vatten en Hij tot ons spreken gelijk iemand tot een blinde, een blindgeborene, spreekt over de kleuren".

Volgens deze uitspraak zijn de bewoordingen, waarin de openbaring omtrent den staat der rechtheid vervat is, geen bewoordingen, aan dien staat zelf ontleend. En dat zijn ze niet en konden ze niet zijn, omdat indien God ze aan de Paradijsbedeeling zelve ontleend had, indien Hij de bewoordingen gekozen had, die eigenlijk bij die bedeeling pasten, wij er niets van zouden kunnen vatten. De toestanden vóór den val verschillen dus zoo geheel en al van de onze, dat wij, indien God ze ons had laten beschrijven zooals ze eigenlijk waren, er niets van zouden begrijpen. Daarom zijn zulke bewoordingen gebruikt dat wij er nu wel iets van kunnen vatten, maar niet weten, welke zaken en feiten het eigenlijk geweest zijn, die in deze bewoordingen zijn medegedeeld.

Dit is een schijnbaar-Schriftuurlijke grond. Immers „berust het wijzen op het principieel onderscheid tusschen de Paradijsbedeeling en de bedeeling, waarin wij leven, ongetwijfeld op een geheel Schriftuurlijke gedachte en inzoover kan men spreken van een poging, door Dr Geelkerken aangewend, om zijn vindiceeren (handhaven) van de mogelijkheid eener „andere opvatting" op de Schrift zelve te gronden". a)

Maar de grond is slechts sc/zyTzöaar-Schriftuurlijk. De Schrift toch biedt ons nergens een argument voor de meening, dat het verschil tusschen den Paradijstoestand en den onzen van zulk een aard is, als Dr Geelkerken denkt In de Schrift is geen grond voor de gedachte, dat een boom toen geen boom, een slang geen slang zou zijn geweest al nemen we gaarne aan, dat de boomen toen anders en schooner waren dan thans en al willen we niet beweren, dat de slang toen in alle opzichten gelijk was aan de slangen, die wij kennen. *) Ook gaat de vergelijking mank, die Dr Geelkerken maakt tusschen de

x) Exegetisch-dogmatisch rapport blz. 18.

*) V.gJ. Dr H. Bavinck, Gereformeerde dogmatiek, 11* blz. 617: De zonde heeft volgens de Gereformeerden alles bedorven en verwoest, maar omdat zij geen substantie is, heeft zij niet het wezen, de substantie der schepping kunnen veranderen. De mensch is als zondaar nog mensch gebleven; en zoo ook zijn alle andere schepselen, aarde, hemd, natuur, plant dier in weerwil van den vloek der zonde en de heerschappij der verderfenis, essentieel en substantieel dezelfde gebleven. Blz. 620: De forma is veranderd, maar de materie van mensch, plant, dier, natuur, aarde is vóór en na den val gelijk.

Sluiten