Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

viii

I

inhoud.

Derde kapittel. Wijsbegeerte des rechts. Hare reden van bestaan. Hare taak. Critiek van „natuurrechts"geloof en van de leer der staatssouvereiniteit .... 46—72

Stellingen :

A. Positivistische betwisting der vruchtbaarheid van wijsgeerig nasporen naar „objectieve" waardeeringsoordeelen weerlegt zich zelve.

B. „Natuurrechts"-geloof, op zoek naar een min of meer compleet rechtskundig receptenboek voor alle tijden en plaatsen, brengt het niet verder dan tot „programma's" van rechtshervorming, hier en thans te verlangen, omdat het verzuimt te onderscheiden tusschen den inhoud van maatschappelijk leven, die tijdelijk en aan zekere ruimte gebonden, en zijn' rechtsvorm, die tijdeloos en alomgeldig is. Het bedoelde verzuim spookt nog na in het hardnekkige vragen naar den „rechtsgrond" eener instelling. „Rechtsgrond" eiker bestaande instelling is haar bestaan... tot beter.

C. Souvereiniteitsbespiegeling in den trant van Hobbes, die rechtswijsbegeerte wil zien beperkt tot het verstaan van „recht" als wil eener opperste staatsmacht Jeidt tot vereenzelviging tusschen zoo behooren en zoo gebeuren.*y

Vierde kapittel. Nadere bepaling van het rechtsbegrip en van de rechtsidee 73—98

Stellingen:

a. „Recht", (genomen als „descriptief" begrip) is wilsuiting, die menschen verbindt tot onderlinge dienstbaarheid aan elkanders bedoelingen, afgezien van hunne instemming (dit in contrast tot bloote zedelijkheid) en zonder van eenig doen hunnerzijds duur en uitgestrektheid harer gezagsoefening over hen te laten afhangen (dit-ter onderscheiding van fatsoea>J*J

F „Frrht" ifi (nanr zijne-idee) het geheel dier als door een onpartijdige te verrichten afbakeningen van grenzen voor verplicht en geoorloofd doen en laten, welke, als onontbeerlijke voorwaarden, waaronder alleen wij onze zedelijke bestemming in vrijheid vermogen te vervullen, . desnoods door dwang mogen of moeten worden gehandhaafd Het-uitgaan boven het eigene naar hetgeen onzelfzuchtig welgevallen waard is kan worden verstaan óf als toewijding (onbegrensd en strictpersoonlijk) óf als gerechtigheid (aan maat gebonden en, als plichtmatig, den naaste af te vergen).

D. Onpartijdigheid komt, in haar karakter van levensbeginsel des rechtsals -idee, tot uiting in de taaiheid van den trek naar erfelijk éenmansbewind en in het veelvuldige gebruik van het contractsdenkbeeld als constructieve hulponderstelling bij het zoeken naar „richtig" recht.

e. De gedachte van omgrenzing, als noodzakelijk bestanddeel der rechtsidee, plaatst deze buiten de sfeer aller van huis uit grenzenlooze strevingen ter zelfverwezenlijking.

Vijfde kapittel. Nadere bepaling van de rechtsidee. Vervolg. Recht en zedelijkheid 99—115

Stellingen:

a. Recht staat4et--,,zedelijkheid"-in-den-specifieken-zfa-des-woords als eene voorwaarde tot hetgeen zonder haar onmogelijk ware.

Oj d^lA ib^a vL. m La *-vi**^~*- u. LM*

Sluiten