is toegevoegd aan uw favorieten.

De dijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat is het stil buiten, Leo! En wat is het rustig in me, nu ik jou weer heb. Ik zou wel bij je willen blijven en met je werken. Maar toch is het zóó ook zoo zalig ...."

Leo's lippen prevelden onverstaanbare klanken, maar het was hem, als was hij een kind, dat na de wanhoop over een jongensdwaasheid weer de rust bij zijn vader vond.

Zijn vader rustte op het kerkhof bij de baai, of hij niet tot de heidenen werd gerekend en of zijn stof nog wenschte te waken over het werk, dat hem weer had leeren leven en geloof geschonken had.

Leo wachtte niet tot de winter voorbij was. Dadelijk het hij het werk aanvangen en in de eentonige vlakte, waar de vloed telkens weer alle sporen van menschelijken arbeid weg wischte, of hij niets op zijn strand geschreven wenschte te zien, draafden weer, tusschen de vloeden in, de spannen van Jean Plougnou en anderen, om nieuwe rotsblokken aan te voeren. De mannen krielden door elkander en werkten de blokken met hef boomen naar hun doel.

Een werkspoortje was in aanleg, om vlugger het materiaal met kipkarren aan te voeren en nog voor de lente met dijk en slapersdijk gereed te wezen.

Uit nagelaten teekeningen en beschrijvingen kende

151

151