is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de tropenzon

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bergen. Rookwolkjes donsden subtiel-grijs uit het massieve bosch. Rakelings langs de Tiga-eilanden, ondermijnd door de zee, brokkeliggetande holen in het bruin van de rots, één klit van woeste plantengroei bovenop. Langs de Radja Basa, diepgroen opwaarts welvend, vlekkerig-dorre gedeelten geel of roodbruin ertusschen. Vlak op het water klapper-plantages, en daarboven, tegen de onderste hellingen andere plantages in gearceerde schakeeringen. Op het water, tusschen de palmen peuterig-kleine kampong-krotjes, bruinige atap-en-bamboe huisjes onder ruig-geveerde kronen. Een groepje inlanders keek naar het schip, dwergmenschjes aan den voetzoom van den bergreus, hei-witte plekjes van kleeren: 't was Zondag.

Etmalen lang stoomden ze beoosten Sumatra naar boven. Over open water, door zeestraten, tusschen eilanden en langs vuurtorentjes van helderwit constructie-werk. Tusschen de hchtboeien van Straat Banka, langs moeraskusten die bij vloed onderhepen, begroeid met bakau, zeebosch met leerachtig, hardgroen-glanzend gebladert. Langs de havenlichtjes van Muntok.

In het holst van den nacht plots de fantastische schim van een Chineesche jonk voor den boeg. Met het roer hard-aan-boord nauw tijd om uit te wijken, geen scheepsbreedte er tusschen. Toen, véél te laat als Buurloo daarop had moeten wachten, een lamplichtje bij 'em aan dek, zwaaiend-vlug alsof iemand op 'n sukkeldrafje droeg uit het plomp-hooge achterschip tot onder het ribbige grootzeil in de midden. En wèg gleed het, als een spook, drie gespijlde vormlooze zeilen, het voorste en achterste kleiner en afneigend van het middenzeü.

Een anderen nacht voeren ze door Straat Malakka, waar 't wemelde van schepen. Het was een zee-engte in druk-bevaren route, zooals btj Gibraltar, het Engelsch Kanaal of Straat Florida, waar verstrooide schepen samenkomen en doorheen gefilterd worden. Vier meehggers tegelijk telde Buurloo, en wel tien, twintig tegenkomen, op één wacht. Méékoersend op geen mijl afstand een Chineesch kustertje jakkerend om de „Naardermeer" bij te houden, de vlam-tongen der Ombilinkolen uit z'n schoorsteentje jagend in gloed-en-vonken-weerschijn 180

180