is toegevoegd aan uw favorieten.

In de verstrooiing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

DEN volgenden keer, dat Laura Frits alleen sprak, zeize: — Gisteren heb ik Rudolf opgezocht. — Kende u Mathieu en Marguerite al?

— Nog niet, Marguerite was niet thuis. Mathieu en Rudolf vond ik... 't zal je verbazen, in levendig gesprek.

— Niet mogelijk... ?

— Ik herkende Rudolf nauwelijks. Ze zijn al vrienden. Een fijne man, dunkt me, die du Traz.

— Een loot, zooals dat heet, van adellijken stam.

— Stel je niet aan.

— U bent uw tijd ten achter. Stamboomen zijn op het oogenblik in trek. Het is het eenige, waarin je je nog kunt onderscheiden.

— Als ik niet wist, dat je nooit ernstig ben, kreeg je een klap om je ooren.

— Die sensatie heb ik in jaren niet gehad.

— Een kwajongen als jij verdient het.

— Dus... Rudolf en Mathieu zetten samen boomen op.

— Voor Rudolf is 't uitstekend. Het haalt hem eruit en Mathieu schijnt het ook wel genoegelijk te vinden. Rudolf is zelfs weer aan het teekenen gegaan.

— Een volmaakte verjongingskuur. Eenig, zei Ina vroeger.

— Van Ina gesproken, ik heb een brief van Max.

— Waar zit die tegenwoordig ? We schrijven elkander nooit.

— Jullie zijn geen menschen voor elkaar. Ik vraag me wel eens af, hoe 't mogelijk is, dat ik drie zóó verschillende kinderen heb.

54