is toegevoegd aan uw favorieten.

In de verstrooiing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

DIEN middag was het onbedwingbaar in Matilde gestegen, de folterende angst voor die buien, de blinde angst voor den afgrond, die dan vóór haar voeten openbrak.

De laatste weken was het weggebleven. Zoo lang het er niet was, wilde zij er niet aan denken. Als kind al hadden die vlagen haar overrompeld. Even weerloos als toen was ze ervoor gebleven. Zonder eenig houvast stond ze er tegenover. Ze begreep het niet en het verbijsterde haar, alsof de duivel losgebroken was. Want dit had ze geweten van den beginne af aan: het zit in mij en af en toe breekt het uit, een verborgen zonde.

Met de kindermeid had ze er het eerst over gesproken. Die had haar... betrapt, terwijl die storm woedde. Bertha heette ze, Bertha bemerkte midden in een verhaal, dat Til niet luisterde. Gekrenkt ophoudend, keek ze haar streng aan. Toen was ze geschrokken: het kind zag met glazige oogen haar aan, terwijl het de kaken krampachtig samenklemde om de tanden het klapperen te beletten. Geheel het lichaam trilde te sterker naar ze het voor Bertha trachtte te verbergen.

Deze had gemeend, dat Matilde ziek was. Een geheime ziekte moest ze onder de leden hebben. Over geheime ziekten sprak Bertha meer. Matilde begreep nu, dat ze boekjes van gepopulariseerde geneeskunde „wat iedere vrouw vóór het huwelijk weten moet" gelezen of een „vriend" haar ingelicht had. Ze ondervroeg Matilde gestreng, of ze kwaad gedaan had. Zelfs zinspeelde ze onder het mom van „eigen bestwil" op een bepaalde en duidelijk omschreven „zonde".

93