is toegevoegd aan uw favorieten.

Izdubar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekenden ingang binnentredende neer. Kil en vochtig was het er, onzichtbare winden waaiden huiverend aan en dicht trok zij haar dunne gewaad, van ju weelenbes tikt goudwaas slechts, tegen zich aan.

Doch moedig liep zij verder. Zij wist, dat zij nu liep onder de rivier door, kwam aan de plaats, waarboven het paleis verrees en Izdubar smadelijk haar verstooten had, en verder, verder ging zij.

Zij doolde dwalende verre door telkens weêr nieuwe gangen en gewelven, geleid door haren wil, die den weg wist naar het einde.

Moeizaam moest zij gaan, modderplassen overdekten er heur pad, van water, dat afsijpelde van de lage zoldering en neêrdroop langs de grauw schaduwende wanden, die langs haar heen te schuiven schenen als een eentonig, zich staag herhalende zelfde beeld, dat door onzichtbare handen weggetrokken werd, wijkende voor haar blik, die verder ging met heure stappen meê, volgende steeds nieuwe grijze wanden, eindeloos zich herhalende. En voor haar met vreemd fosforesceerend schijnsel in deze onder aar dsche stad, bleef schemeren en weêr wijken een even, telkens opnieuw opdoemend verschiet, dat bereikt, niet anders dan eindeloozen weg en grauwe, slijkglibberige wanden bleek, het pad onder haar week wegmodderend bij eiken nieuwen pas, terwijl

Izdubar. 7

97