is toegevoegd aan uw favorieten.

Izdubar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zende, lichtten en straalden ook van juweelen gloed, van schitterendste, gloeiende karbonkels en adamanten hunne fonkelende oogen en scherpe snavelbekken, amethystomringd hunne glanzende pooten.

Verwonderd zag Izdubar toen uit den toovertuin twee vrouwen treden op hem toe, hem tegenzingende hunne stemmen:

— Siduri en Sabitu zijn wij, Izdubar, waarheen ga je? Verre, verre is de mensch, zijn de dingen, het land en de zee, die zoeken wil je ziel.

En jong, verleidelijk, toonden zij hem hunne begeerlijkheden.

— Zie, Izdubar, maagdelijk jong en teeder zijn wij. Onze borsten zijn strak en plooiloos nog, en huppelen bij het dansen als jonge reeën op de hooge bergen, als kleine vogels op de brooze takken der boomen. Mooi en welig zijn onze lichamen, als bekers, die wachten zich te vullen met je verlangen, en die troostvol wij je wederreiken zullen met de laving onzer alle zinnenpijnen stillende liefde. Waarom Izdubar zoü je verder gaan, naar een ongeweten doel, daarginds, je hart benard om de Stad, die verre achter je is en die je bande uit je ziel? Verloren is zij, vervloekt toch, nu wat wij hier je kunnen bieden, zij voor altoos moest missen. Dwaal, zwervende vreemdeling, niet verder, nu on-

134