is toegevoegd aan uw favorieten.

Izdubar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het deemsterde alom. De nacht der tijden zonk ook in deze waereld neêr.

Een enkele, gouden ster gloeide op in den hemel, als een eenzaam oog, dat erbarmingsvol over deze verlatenheid neêrzag.

Hoe lang Izdubar thans onderweg was, wist hij niet. Uren, noch dagen schenen in deze waereld elkaêr te volgen, waar geene seizoenen ook wisselden. Toch waren er hchtverklaringen en verduisteringen, zonder dat zij dagen of nachten waren. Geen zon scheen hier, ook zeilde er het zilveren schip der maan nimmer den hemel binnen. De enkele, nu opgloeiende ster was niet als de sterren, die hij van de aarde had betuurd, die koud flonkerden in de koele luchten. Dit was een wakend godsoog, wist hij, dat waakte over deze waereld, en ook troostvol op hem neêrzag.

Door deze verduistering, alom donkerend meer en meer, die bijna tot volslagen nacht werd, ging hij nu verder weêr, verder tot hij voor hem, op de vlakte, een wijden lichtglans spiegelen zag.

Het godsoog daarboven zag neêr in het glanzende vlak, leek er te breken met roode weêrschittering, die kleine sterretjes sproeide van bloed. Tot eindelijk Izdubar, dichterbij gekomen, zag, dat hij aan den rand van een donker, eindeloos water stond.

143