is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der chemie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zag dat zij mij volgde in het spoor mijner zolen, zij mijne zuster op hare naakte zolen die bloedden soms, in hare bruine pij over haar melk-witte, haar heilige lichaam waar de borsten zwaar zijn, en dat zij geeselde van spijt. Zij had mij nooit verlaten; zij was naast mij; zij was m mij. De vreugde heb ik nooit gekend; te beter: zij ontzint. Maar zij, de Goedheid, zij biedt in de schaal van hare handen de vreugde der bezinning. Heb ik heden goed gedaan; deed ik kwaad vandaag? Zij beteekende mij deze vragen, en, had ik waarlijk geen reden tot tevredenheid, dan dronk ik nóg uit nare hand-palmen den vrede van het berouw. — Waar haar te zoeken thans: ik heb haar verschopt, en zij heeft het misschien niet vergeven. Mijn vriend, zij heeft het wél vergeven. Zij had aan mijne zijde hare plaats niet opgegeven; maar ik had ze nauw opgeroepen of waarlijk: ik dorst naar haar niet meer op te zien.

De Armoede, zij, ik moest ze niet oproepen: zij is steeds (om het aldus uit te drukken) mijne trouwste en zuiverste schild-maagd geweest; ik ken geen magerder en geen moediger meisje in het gladde harnas, waar smaad op af bolt en geen vuilnis aan kleven blijft. Zij heeft voor mij, onder een mantel van onnoozelheid, brood gestolen en sokken. De wijde spleet van haren mond daagt den hoon uit met de schittering van haar scherp gebit; ik had haar getemd als eene jonge wolvin ; zij lag onder mijne voeten: hare tanden tartten den vijand uit. Ik had haar in der tijd zelf uitgekozen als een steun en als een wapen: eene zweep waar men op leunen kan, maar die de lucht kan doorkletsen, en kletste op ook anders dan de lucht; het was de tijd dat ik een vechters-baas was, een geduchte want een werkzame. Hoe thans veranderd! Thans vond ik

43