is toegevoegd aan uw favorieten.

De codificatiebeweging in Duitschland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe staat het nu echter met de roeping van onzen tijd? ■ Savigny's dogma over den goeden invloed der historische methode blijkt hoe langer hoe meer niet te zijn voortgekomen uit een neerslag der volksmeening in een juristengeest; men voert nu duidelijker, dat, al houdt men nog zulke fraaie theoretische beschouwingen, de wetgever veel beter werk doet, wanneer hij met een paar regels de zaak beslist. Wat dan ook door de beduidendste Romanisten wordt toegegeven! (Bruns, Jhering, Arndts).

En dan, de totstandkoming van het Handelsgesetzbuch, de Wechselordnung e.a. wijzen er op, dat ook een burgerlijk wetboek mogelijk is. "

Fittings idééën zijn niet houdbaar; aanvankelijk werden ze ook verkondigd door von Wachter, die zelfs zeide: „Es ware in mehr als einer Hinsicht miszHch, an einen neuen vollstandigen Codex zu schreiten". Maar later heeft hij die woorden herroepen (der Entwurf eines B.G.B. für das Kön. Sachsen).

Tenslotte, de methode-Fitting ruimt lang niet zooveel rechtsonzekerheid uit den weg als een volledige codificatie; en dat moet men niet te licht tellen! Daarom, het alléén passende in onze omstandigheden is: dat men direct beginnen ga aan de opstelling van een zoo compleet mogelijk Duitsch Burgerlijk Wetboek.

De beschouwingen welke Sohm in Grünhut's Zeitschrift (I. p. 245) ten beste geeft over de noodzakelijkheid der codificatie, grijpen veruit terug in de historie; hij gaat het verband na tusschen de rechtsontwikkeling in Duitschland en het vraagstuk der codificatie, alsmede de oorzaken welke codificatie noodig maken.

Doch in tegenstelling met zoovelen zijn het geen uitwendige oorzaken, welke hij onder onze aandacht brengt, maar die van binnen uit komen, ontspringend uit de juridische practijk en de belangen van het rechtsleven. Wat hij vooral in de codificatie ziet, is de noodzakelijke afsluiting der Duitsche rechtsgeschiedenis.

(Dit klinkt heel anders dan wat Sintenis zeide, sprekend van „der Modeartikel von der nothwendigen Einheit des Rechtszustandes").

140