is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Horatio.

't Is hier. Het spook af.

Marcellus.

't Is weg. i, i, ua

't Is zoo vol majesteit, wij krenken het Door het te dreigen met geweldvertoon, Want 't is onkwetsbaar, als de lucht, en ons Onnuttig slaan is booze spotternij. Barnardo.

't Wou juist gaan spreken, toen de haan ging kraaien. Horatio.

't Kreeg toen een schok, gelijk een schuldig wezen

Bij een gevreesd ontbod. 'k Heb wel gehoord,

Dat de bazuiner van den uchtendstond i&o

Met zijn luidruchtigen en schellen strot

Den daggod wekt, en dat op dit vermaan,

Al is 't in zee of vuur, in aarde of lucht,

Het dolend en rondwarend spook zich rept

Naar zijne woon; en dat dit waarheid is,

Daarvoor getuigt, hetgeen ons oog hier zag.

Marcellus.

't Vervaagde bij het kraaien van den haan.

Er wordt beweerd, dat steeds, als de tijd naakt,

Waarop men de geboorte Christi viert,

Deze uchtendvogel heel den nacht door kraait 160

En dan, beweert men, dat geen spook zich roert»

De nacht is heilzaam, geen planeet doet kwaad,

Geen elf behekst, geen kol heeft toovermacht,

Zoo vol gena, zoo heilig is die tijd.

Horatio.

Dat hoorde ik ook en deels geloof ik het. Ziet de uchtendstond,in 't roode mantelkleed, Betreedt den dauw van 't gindsche duin in 't oost. Breekt op de wacht. En laat ons, naar ik raad, Den jongen Hamlet mededeelen 't geen

Van nacht gebeurd is ; want, zoo waar ik leef, 170 Dat spook, dat zweeg, zal spreken tegen hem.

21