is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Polonius. ii, 2, 173 Kent uwe hoogheid mij? Hamlet.

Ja, opperbest,

Gij zn't een vischboer. Polonius.

Prins, dat ben ik niet.

Hamlet.

Dan zag 'k u graag zoo eerlijk. Polonius.

Eerlijk?

Hamlet.

Ja!

Mijnheer, zooals 't op aarde toegaat, vindt men Op de tien duizend maar één eerlijk mensch. Polonius. 180 Dat is zeer waar, mijn prins. Hamlet.

Want als de zon

Maden verwekt bij 't dood dier, dat een kreng is,

Hebt gij een dochter? Polonius.

Ja, mijn prins.

Hamlet.

Verbied haar Den zonneschijn. Ontvang'nis is een zegen,

Maar zoo als zij ontvangen kon Pas op, vriend!

Polonius [Ter zijde:]

Wat zegt ge ervan? Steeds maalt hij op mijn dochter, 190 Eerst zeide hij, dat ik een vischboer was; Hij is ver heen. Ja, in mijn jongen tijd Heb ik om liefde heel wat uitgestaan, Haast evenveel. Ik spreek hem nog eens aan. — Wat leest gij prins? Hamlet.

Woorden, woorden, woorden. Polonius.

Waar gaat het over, prins? 58

58