is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

[DERDE BEDRIJF.]

[EERSTE TOONEEL.]

[Een zaal in het kasteel.]

Claudius, Geertruida, Polonius, Ophelia, Rosencrans en Guyldensterne treden op.

Claudius.

En kunt gij op geen enkele manier m, h 1

Het uit hem krijgen, wat zijn geest verwart

En wat de kalmte zijner dagen kwelt

Met woelzieke en gevaarlijke zinloosheid ?

Rosencbans.

Zelf geeft hij toe, dat het bij hem niet pluis is,, Maar waar 't van komt, houdt hij hardnekkig stil. Guyldensterne.

Ook is hij niet gemaklijk uit te hooren Maar, slimgek, houdt hij zich oostindisch doof, Als wij hem tot een opbiecht willen brengen. Geerteuida.

Ontving hij u beleefd ? 10 Rosencrans.

Volmaakt correct.

Guyldensterne.

Maar moeite had hij om zich goed te houden. Rosencrans.

Zuinig op zaakrijks, maar op elke vraag Breed in zijn antwoord. Geertruida.

Zocht gij hem te winnen ?

Rosencrans.

Mevrouw, toevallig haalden we onderweg Een troep acteurs in ; wij vertelden 't hem En dat bericht scheen hem wat op te beuren. De troep is hier aan 't hof en, heb ik 't wel,

Dan hebben zij reeds opdracht om voor hem 20 Van avond op te treden.,

73

73