is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En twaalf maal dertig bleeke manen schenen Hl, 2,167

Dertig dozijn keer over de aarde henen,

Sinds liefde ons 't hart en Hymen hand in hand

Weerzijds aaneen bond met den hechtsten band. 170

Koningin.

Vóór de echtband breke, mogen zon en maan Nog even vaak langs hare banen gaan! Maar, ach, ik zie, dat ge in den laatsten tijd Niet wel, niets vroolijk en zóó anders zijt, Dat ik 't mistrouw; maar schoon ik het mistrouw» Mag dit niet u ontrusten, want een vrouw

Is te beangst; juist, als zij liefheeft, [duidt 176« Liefde haar angst en angst haar liefden uit.] 17üb Haar angst en liefde loopen parallel: Of bei zijn niets, of bei zijn uiterst féL Nu, wat mijn liefde is, heb ik u getoond»

En zóó groot is ook de angst, die in mij woont. 180

Waar liefde groot is, ziet men ras gevaar;

Waar 't minste al angst wekt, groote liefde is daar!

Koning.

Heusch, lieve vrouw, 'k moet scheiden gaan en dra;

Mijn levenskrachten laten d' arbeid na;

En gij blijft achter op de lieflijke aard

Geëerd, bemind; en mooglijk even waard

Zal u de man zijn....

Koningin.

O, houd op met spreken ! Door zulk een liefde zou 'k mijn eed verbreken ; Tot vloek zij mij zulk huw'lijk! Niemand dan Wie d'eersten doodde, neemt een tweeden man. 190 Hamlet. [Terzijde:] Alsem! Koningin.

Wanneer een vrouw een tweede huw'lijk sluit, Drijft haar geen liefde, ze is op voordeel uit. Mijn man bereid ik andermaal den dood, Kust me in mijn koets een ander echtgenoot.

87