is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koning.

m, 2,196 'k Geloof wel, dat gij meent wat gij nu zegt,

Maar wat men voorneemt, houdt )men dikwijls slecht; 't Plan is' de slaaf slechts der herinnering, Schoon heetgebakerd, is 't een poover ding,

200 Dat eerst, als groen fruit, hecht zit aan den tros, Maar, hangt het lang, 't laat zonder schudden los. 't Is allernoodigst, dat de mensch vermijdt, Dat hij een schuld, aan zich verschuldigd, kwijt; Als hij vol ijver tot een daad besluit, Wordt deze onnuttig, heeft die ijver uit. De heftigheid van vreugde of van verdriet Doet hunnen raadslag met hen zelf te niet. Waar vreugd luidst juicht, uit leed de droefste klacht En 't is om niets schier, dat vreugd treurt, leed lacht.

210 Dit aardsche is niet voor eeuwig, noch is 't zot, Dat zelfs de liefde wisselt met ons lot, Want op de vraag wacht men nog steeds bescheid, Of liefde 't lot, dan 't lot de liefde leidt ? Wien 't lot verneert, ziet vlieden wien hij mint, Maar wien 't verheft, diens vijand maakt het vrind; Nog steeds is voorspoed vriendschaps adjudant, Want wie niet derft, mist nooit een vriendehand, En wié in geldnood tot een voos vriend gaat Heeft al diens vriendschap omgezet in haat.

220 Maar, om te komen tot een ord'lijk slot, Ons willen is zóó strijdig met ons lot, Dat er naar onze plannen niets geschiedt: Ons is 't ontwerp, maar ons is de uitslag niet. Denk vrij, gij neemt geen tweeden echtgenoot, Zoo de eerste sterft, ook die gedachte is dood. Koningin.

De hemel bann' mij 't licht, de aarde elk gerecht; Vermaak en rust zijn dag en nacht me ontzegd; Tot wanhoop worde waar 'k imijn hoop in stel; Mijn wereld zij een drievoet in een cel; 230 Elk strijdig iets, dat vreugdes wang verflenst, Verniele al 't geen 'k in welstand heb gewenscht; 88

88