is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rosencrans.

Wij haasten ons. Hl, 3, 26

Rosencrans en Guyldensterne af.

Polonius treedt op.

Polonius.

Mijn vorst, hjj wandelt naar zijn moeders kamer. Ik ga mjj plaatsen achter 't wandtapijt En luister daar. Wat zal hij er van lusten!

En, als gjj zeide, en wijs was het gezegd, 30

't Is goed, dat iemand anders dan een moeder,

Omdat haar de natuur partijdig maakt,

Ook het gesprookne hoort. Vaarwel, mijn vorst!

Eer gjj naar bed gaat, kom ik bh' u aan

En zeg u, wat ik weet.

Claudius.

Dank, waarde heer.

Polonius af.

I O, dat dit vocht, dat langs mjjn kaken druipt, 35a De misdaad schoon uit mjjn geweten wiesch! Schouw ik ten hemel, 'k zie mh'n overtreding. En de aarde schreeuwt het om mjjn doodzonde uit: „Boet mij den broeder- en den vorstenmoord En 't wulpsche spel, dat gij bedreven hebt!" "W Voor deze zonden is er geen vergeving. Maar toch, al was mjjn schuld zoo zwart, als git, Berouw kan haar zoo wit, als sneeuw, doen worden. Ja, maar het steeds volharden in het kwaad, Dat is een zonde, die Gods Almacht tart. Rampzalig mensch, kniel, buig uw star gemoed, Vraag Gods gena, dat ze u voor wanhoop hoed'.

Hij knielt. 35m

O, mjjn vergrijp is vuil, het stinkt ten hemel, 36 Het staat bezwaard met den eerst oudsten vloek. Een broedermoord [er] ! Bidden kan ik niet. Al zou mjjn aandrift brandend zjjn, als lust,

[Hij staat op.]

\ Mjjn sterk're schuld verwint mh'n sterken wil; 40

»

97