is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamlet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geertruida.

Dit is de muntslag van uw eigen brein, ni, 4,137

Die lichaamlooze schepping [is] de waanzin!

Hamlet.

Mijn pols, als de uwe, houdt gematigd maat • 140

En geeft gezonde tonen; 't is geen waanzin,

Wat ik geuit heb; stel mjj op de proef

En 'k zal al dat herzeggen, waarbij waanzin

Op hol zou slaan. Moeder, om Gods gena,

Strijk op uw ziel 't verzachtend zalfje niet,

Dat niet uw mispas maar mijn waanzin spreekt!

't Sluit met een vlies slechts de etterende wond,

Terwijl het stinkend vuil, voortgravend in

De diepte, heimlh'k aansteekt. Biecht bh' God;

Rouw om 't gebeurde; ontwh'k, wat komen moet, 160

En spreid geen mest op 't onkruid, die zh'n groei

Bevord'ren zou. Vergeef mh'n braafheid mij,

Want in de bolheid onzer paffe tijden

Moet deugd verschooning vragen aan het kwaad ,

Ja, bukken, vleien, dat ze 't baten mag!

Geertruida.

Hamlet, gij hebt mh'n hart in twee gekloofd. Hamlet.

O, werp het booze deel ver van u af En leef te reiner met die and're helft. Goenacht! Maar ga niet naar het bed van oom. Huichel een deugd, als gh' haar niet bezit! 160 Dat monster, sleur, dat alle zinnen doodt, Die duivel van ons doen, is engel hierin, Dat, bh' practh'k van goede en eedle daden, Het eveneens livrei of pij verleent, Die graag wordt aangedaan. Mjjd hém van nacht En dat geeft u allicht een soort gemak Hem weer te mijden; 't gaat al makk'ljjker; Door wennen kan men de inborst schier verand'ren, [Toomt] men den duivel [in], of smijt hem uit Met wonderlijk geweld. Nog eens, goenacht! 170 En als gij naar den zegen Gods verlangt,

105

105