is toegevoegd aan uw favorieten.

Indonesische en Indische democratie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

meestal één dezer beschouwd als de perbapaan bij uitnemendheid, öf op grond van het behooren tot één der twintig Sibajak families, öf op grond van de meest rechtstreeksche afstamming' van den gemeenschappelijken stamvader, in welk geval hij, echter niet op grond van geboorte, ook sibajak genoemd werd Naar buiten trad hij of traden zij op als oeroenghoofd(en). Zulk een oeroenghoofd is dus, om van onderen af te beginnen, hoofd van zijn huis, dan hoofd van de voornaamste wijk van het dorp, de eerste onder de wijkhoofden van zijn dorp en zoodoende dorpshoofd, en de eerste onder de dorpshoofden van zijn oeroeng.

De oeroengraad kan alleen beschouwd worden als eene vertegenwoordiging van de regeerende marga der oeroeng; de niet tot de regeerende marga behoorende inwoners zijn daarin alleen vertegenwoordigd door de anak-beroe's der raadsleden (zie § 5).

Van den dorpsraad en van den oeroengraad gingen uit bestuur en rechtspraak betreffende aangelegenheden, welke niet tot een wijk, resp. een dorp beperkt waren.

Beslissingen van oeroeng- en dorpsraad werden niet ten uitvoergelegd, enkel en alleen door oeroenghoofd of dorpshoofd, doch door alle leden van den oeroeng- en dorpsraad, door de wijkhoofden ieder voor hun wijk.

Het representatief karakter van den Batakschen regeeringsvorm wordt erkend door Westenberg1): „Het hoogste gezag berust dan ook niet zoozeer bij personen als wel bij^ den stam; niet dan door onderling overleg van de vertegenwoordigers zijner verschillende takken kan eenige ietwat belangrijke bestuursmaatregel getroffen, eenige zaak van zelfs bescheiden aanbelang berecht worden."

CENTRALE BATAKLAND %

Ook het bestuur van het hier niet in wijken verdeelde dorp (koeta) is meerhoofdig en heeft een representatief karakter, m.d.v. dat de invloed der niet-regeerende marga's veel minder sterk is dan op de Karohoogvlakte. De dorpsraad is nml. samengesteld uit het dorpshoofd (radja ni hoeta), de hoofden der kernfamilies behoorend tot de heerschende marga, d.z. de oudsten, „na toea" of „na toengganï" en verder uit den radja imborce, den vertegenwoordiger der boroentarga, wier leden trouwen met de dochters uit de heerschende marga..

*) Westenberg, 1914, blz. 503.

*) Batakspiegel 1910; Meerwaldt in T.B.G. 37, 1894; de Boer in T.B.G. 49, 1915; Adatrb. 20, 1922, blz. 14 e.v.