is toegevoegd aan uw favorieten.

Indonesische en Indische democratie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

6e. den bajo bajo na godang, den vertegenwoordiger van die bijmarga, waarvan de leden van oudsher getrouwd zijn met de dochters van de regeerende marga. (Zie §5);

7e. de natoras-toras (natobang) d. z. de helpers van den bajo bajo na godang, behoorende tot diens marga.

Het hoofd der slavengroep, de kapala empoeng dalam, had op grond van zijne afkomst geen staatkundige rechten. In Sipirok had dat hoofd, daar radja ni hatoban genoemd, de leiding van den dorpsraad, doch nam geen deel aan de beslissing1).

MINANGKABAU ').

Het bestuur van soekoegedeelte, nagari en nagaribond kenmerkt zich door meerhoofdigheid en representatief karakter, behalve dat van het soekoegedeelte in het Kota Piliangsche (Tanah Datar en Lima Poeloeh kota).

Het Minangkabausche volk is verdeeld in een 27-tal over het heele land verspreide geslachten, die in de nagari's door elkaar wonen; echter niet zóódanig, dat in iedere nagari al deze geslachten vertegenwoordigd zijn. Het in een nagari aanwezige deel van het geslacht heet kampoeang in het Kota Piliangsche (Tanah Datar en L. kota); heet soekoe in het Bodi Tjanijagosche (Agam). Deze 27 geslachten nu zijn in het Kota Piliangsche gegroepeerd tot vier geslachtenunies of soekoes, steeds op dezelfde wijze; voor het Bodi-Tjaniagosche is deze groepeering nog niet duidelijk; het schijnt, dat daar het in een nagari voorkomend geslachtsgedeelte soekoe heet (wat dus elders kampoeang heet3) ). Het aantal in een nagari aanwezige soekoes bedraagt daar meer dan vier. Wonen dus in iedere nagari van Agam slechts zooveel geslachtsgedeelten van de 22 of 27 geslachten, als het aantal daar aanwezige soekoes; en zijn de geslachten daar niet gegroepeerd in geslachtenunies? *)

Voor de Bodi-Tjanijagosche landen wordt de staatkundige eenheid gevormd door de „pajoeng", d. z. één of meer tot hetzelfde geslacht behoorende families, aan het hoofd waarvan staat het hoofd van de kernfamilie, de panghoeloe andiko; het

*) Adatrb. 6, 1913, blz. 13.

') Zie behalve de algemeene literatuur: Westenenk 1918; Willinck 1909;

De Rooy 1890, en M. Joustra: Minangkabau, 1923.

Hier zijn slechts besproken de zuivere typen der twee „larassen", der

Bodi-Tjanijagosche en Kota-Piliangsche adat; niet de tallooze tus-

schenvormen en afwijkingen. *) Westenenk, 1918, blz. 46; De Rooy, 1890, blz. 640, e.v. *) De Rooy, blz. 647.