is toegevoegd aan uw favorieten.

Indonesische en Indische democratie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

§ 8 DE TWEEHOOFDIGE BESTUURSVORM SCHIJNT EEN REPRESENTATIE VAN BEVOLKINGSGROEPEN.

In eenige gedeelten van Nederlandsch-Indië doet zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat de dagelijksche leiding van de rechtsgemeenschap berust bij twee hoofden, die als twee broeders te zamen hunne functie uitoefenen.

In hoever zulk een hoofdenpaar eene representatie vormt van bevolkingsgroepen is nog niet met zekerheid te zeggen.

Van dit instituut mag verwacht worden, dat het een rem zal zijn tegen te grove baatzuchtigheid en eigenbelang.

De adatrechtelijke bijstand van het adathoofd-vertegenwoordiger van den regeerenden stam door een representant der bijwonende stammen, waardoor de indruk van een gelijkwaardig hoofdenpaar1) kan worden gewekt, is behandeld in § 5.

In de rantau, de Minangkabausche streken ten Oosten van de Boekit Barisan, o.a. in Kampar Kiri, bestaat het nagaribes tuur uit de soekoehoofden, waarboven staan twee gelijkwaardige hoofden, de poetjoek gadang di rantau voor buitenlandsche zaken, en de poetjoek gadang di negeri voor binnenlandsche zaken.

De eerste wordt vergeleken met de haloean (voorsteven) van een prauw; de tweede met de kemoedi (het roer) *).

In de Loeboek Sibajang worden zij te zamen genoemd de „godang doea sekota", de twee grooten van elke kota 3). Dat deze twee hoofden bepaalde bevolkingsgroepen zouden representeeren, blijkt niet.

En dergelijk hoofdenpaar komt ook voor in de Kwantandistricten *).

De Inlandsche Gemeenteordonnantie voor Sumatra's Westkust, volgens welke het gemeentehoofd door den raad uit zijn midden wordt verkozen, houdt geen rekening met de aanwezigheid van dit hoofdenpaar. Voor de Karohoogvlakte is het waarschijnlijk, dat het hier

*) Van Vollenhoven: Het onbaatzuchtige in recht en staat, 1917, blz. 4;

Adatrecht I, 1918, blz. 439. ») J. L. O'Brien, TA.G. 23, 1906, blz. 939 e.v.; 1008. *) Dezelfde, blz. 978. *) Schwartz in T.B.G. 36, 1893.

IJzerman, 1895, blz. 31 en 32.