is toegevoegd aan uw favorieten.

Indonesische en Indische democratie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

adatrechtelijken toestand, doch op grond van wenschéujkheidso verwegingen *).

In het nadeel dier I.G.O.'s kan gezegd worden, dat zij geheel Westersch zijn, dat zij vrijwel gelijkluidend van inhoud zijn, ondanks het feit dat zij voor de verschillende gewesten betrekking hebben op geheel verschillende toestanden2); sléchts de I.G.O. van Ambon sluit eenigermate aan op plaatselijke toestanden.

Ten deele als gevolg van hun Westersch karakter kleven aan deze I.G.O.'s uit het oogpunt van Indonesische democrïflë vele feilen, en zouden, afgezien van de mogelijké, wenschelijkheid om de autonome taak der rechtsgemeenschappen te vergrooten3), de volgende verbeteringen kunnen worden aangebracht:

f! voor Java dient de dorpsvergadering als hoogste macht in de desa erkend; zij dient zeer zeker te bestaan uit diegenen, die naar de plaatstelijke adat medezeggenschap in dorpszaken hebben, waardoor o.a. invloed van afgetreden kerndorpers mogelijk blijft;

2. De I. G. O. van Java late open de mogelijkheid van bijstand van het desahoofd door oudsten;

3. voor de buitengewesten dient het representatief karakter der adatrechtelijke besturen erkend, zoodat iedere adatrechtelijke bevolkingsgroep haar eigen representant in het college heeft; benoeming of verkiezing van andere leden is alleen te overwegen tot aanwijzing van een representant van een nietadatrechtelijke bevolkingsgroep, of van een tweede reprè'* sentant van een adatrechtelijke groep; aan die verkiezing dienen dan alleen de leden dier groep deel te nemen. Evenals bij de Nederlandsche gemeente dient in Indië het beginsel ten grondslag te liggen, dat het bestel in handen is van een lichaam, dat als de wezenlijke vertegenwoordiging der gemeentenaren mag worden aangemerkt;

4. men eerbiedige het instituut van bijstanders;

5. voor aanwijzing van dorpshoofd en leden der colleges gebruike men zooveel mogelijk het adatrechtelijke erfelijkheidsbeginsel, beperkt door electie;

6. bij de beschrijving van den werkkring der gemeentebesturen legge men niet den nadruk op de wetgevende functie;

») Bijblad 9918, 1918, al. 32. Ook Ritsema van Eek (Herzieningscommissie, 1920, blz. 521) wenscht een raad aan het hoofd van een autonomie van Indonesiërs.

s) Adatrecht I, 1918, blz. 517 en 703; Gondoköesoema, 1922, blz. 2; deze uniformiteit is in strijd met het in al. 28 van bijblad 9918 (zie blz. 146, noot ?) uitgesproken beginsel van aanpassing aan bestaande toestanden.

*) Zie Adam, 1924.