is toegevoegd aan uw favorieten.

Indonesische en Indische democratie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

188

de kamponghoofden van elk district, en 5, van wien ten hoogste 3 landsonderhoorigen, door het hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen. Deze leden-landsonderhoorigen dienen niet als vertegenwoordigers hunner belangen, doch als deskundigen, als adviseurs beschouwd te worden1).

Deze naar vorm en inhoud Westersche regeling voldoet niet aan de hierboven2) gestelde voorwaarden, waaraan een raad moet voldoen, wil hij op den duur in het rechtsbewustzijn van de bevolking gaan leven, en niet door de bevolking beschouwd worden als eene overheidsinstelling, doch als iets, dat van haar zelf is. Wel voelt de bevolking tot Siak een zekeren historischen band, doch de raad bestaat niet uit vertegenwoordigers van de in het rechtsbewustzijn van de bevolking levende bevolkingsgroepen, maar in hoofdzaak uit vertegenwoordigers der in 1915 gevormde districten, die niet aansluiten aan het adatrecht, in den vorm van de vijf ambtelijke districtshoofden, en uit door de kamponghoofden van een district gekozen leden, die niet volkshoofden zijn, doch alleen laagste zelfbestuursambtenaren, gesteld over een verzameling huizen, en die alleen aanzien hebben, voorzoover zij tevens volkshoofd zijn. Uitgesloten acht ik het, dat deze kamponghoofden, die geen enkelen band ten opzichte van elkaar gevoelen, en van de werking van dezen landschapsraad niets begrijpen, op behoorlijke wijze hun stem zullen kunnen uitbrengen.

Ook in ander opzicht is geen aansluiting gezocht aan het adatrecht; de beslissingen van den raad worden genomen bij meerderheid van stemmen.

Beter ware het m.i. geweest om aansluiting te zoeken bij het adatrecht en den Siakraad te laten bestaan uit de vertegenwoordigers van de bevolkingsgroepen, indien deze nog in voldoende mate in het rechtsbewustzijn der bevolking blijken te te leven. Is dit niet het geval, dan is m.i. de creatie van eene centrale volksvertegenwoordiging eene hopelooze zaak, en zal de tijd dienen te worden afgewacht, totdat er rechtsgemeenschappen zijn, die een zoodanige plaats in het rechtsbewustzijn der bevolking innemen, dat zij door representanten in den raad vertegenwoordigd kunnen worden.

Wat te waardeeren valt, is de moed en het initiatief om deze moeilijke zaak aan te pakken; op den duur zal het landschap toch in den provincialen- of gewestelijken raad vertegenwoordigd moeten worden, daar deze raden in ieder geval be-

') Verbeek, 1919, blz. 18. 2) Blz. 156.