is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontwikkeling der verbruikscoöperatie in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 5i —

„AUerwege in den lande welvaart, de boerenstand werd benijd, de landeigenaars jubelden, de handel werd door aanleg van havens en sporen buitengewoon gebaat, de nijverheid bloeide met den handel, de ambachten vonden druk werk in de zich uitbreidende en verjongende steden j allen hadden reden tot groote tevredenheid, behalve de man, die van magere inkomsten moest leven, en de meeste, verreweg de meeste ambtenaren behoorden daartoe/'

Waar de prijzen, vooral van levensmiddelen zich in stijgende lijn bleven bewegen, werd 13 Juli 1876 de vereeniging Eigen Hulp opgericht op initiatief van Kuijper. Het doel was volgens de statuten: „de bezwaren, aan eigen onderhoud en verzorging van het gezin verbonden, door verstandelijke en stoffelijke hulpmiddelen te verlichten."

In Mei 1877 werden 8000 circulaires verzonden en weldra telde men in 227 gemeenten 2388 deelnemers en was men verzekerd van de vorming van districten (waarvoor minstens 25 deelnemers noodig waren) in 15 gemeenten1). Intusschen waren de ontworpen statuten goedgekeurd bij K. B. van 10 Juni 1877 No. 24. St.Ct. 149. De duizenden, die toetraden, leverden daarmede het bewijs, dat de vereeniging in een sterk gevoelde behoefte voorzag.

De districten, welke werden opgericht, moesten een zelfstandig bestaan voeren, zóó, dat niet de moedervereeniging, doch uitsluitend de leden van het district, die wel tevens lid van de vereeniging E. H. moesten zijn, aansprakelijk waren.

De districten gingen geleidelijk over tot oprichting van coöperatieve winkelvereenigingen (waarvoor het hoofdbestuur hen verwees naar het model van de Delftsche w.v.), waar wederom dezelfde verhouding was aan te treffen als van E. H. tot de districten.

Bij de oprichting van E. H. was evenwel een ernstige fout gemaakt, die later tot groote verdeeldheid in de gelederen der Nederlandsche coöperatoren zou aanleiding geven. Als leden konden namelijk alleen worden aangenomen „zij, die geheel of gedeeltelijk hun bestaan (vonden) of gevonden (hadden) in loon van arbeid van den geest" (art. 3 dér statuten), dus de eigenlijke arbeidersklasse was uitgesloten. Dit had tengevolge, dat toen de arbeiders de goede resultaten van de coöperatie bij E. H. voor oogen kregen, zij het zelf

*) Ons Belang. Jrg. 1906, bl. 335 vg.