is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARISTOTELES

23

zakelijk begeerte hebben. Bij de meeste, hoewel niet bij alle, is dit gepaard met bewegingsvermogen. Bij den mensch zijn al de vooratgenoemde vermogens aanwezig, maar hij heeft meerdere en hoogere. Hij heeft een denkvermogen of verstand, waarbij we kunnen onderscheiden een praktische en een theoretische zijde. Zoekt de laatste het wezen der dingen te kennen, de eerste beziet ze uit het oogpunt van goed en kwaad. In verband hiermee heeft de mensch ook een begeervermogen, dat niet behoeft te werken in overeenstemming met hetgeen op een moment goed of kwaad lijkt, maar volgens 't geen het begrip als 't beste kent, een redelijken wil derhalve.

Bij het kenvermogen treden nog twee hulpvermogens op: de algemeenzin, die de eenheid der voorstellingen, door de verschillende zinnen geleverd, tot stand brengt en het geheugen. In hoofdzaak kunnen we dus onderscheiden: voedingsvermogen (&QinTixóv), gewaarwordingsvermogen (ohrfhjrnnoV), begeer- en beweegvermogen (oQutTixó* en wifrutóv), denkvermogen (StavoijTtnó»), Daarbij vallen de vermogens, die de mensch met plant en dier gemeen heeft onder de lagere, redelooze, terwijl het verstand en de daardoor geleide wil de hoogere, redelijke vormen. Scherp is de scheiding tusschen hoogere en lagere, hoewel het verband niet ontbreekt Alleen acht gevende op de bewustzijnsfuncties vinden we: kenvermogen en begeervermogen.

8. Wat we tot nu van ARISTOTELES behandeld hebben vormt het oppervlakkige, de bovenbouw, die dadelijk in 't oog springt, maar niet het belangrijkste is. Doch ARISTOTELES spreekt niet klakkeloos over ziel en vermogens. Hij neemt maar niet deze woorden over uit het spraakgebruik, om ze als bekende termen te gebruiken, zonder zich om hun eigenlijke beteekenis en draagwijdte te bekommeren. Het is juist zijn verdienste, dat hij niet slechts materiaal heeft verzameld, maar ook heeft geordend, dat hij niet slechts de dingen, maar ook onze begrippen van de dingen heeft onderzocht, en getracht die begrippen zoo duidelijk mogelijk te bepalen en met elkaar in verband te brengen.

De hoofdzaak van zijn vermogensleer is dan ook niet de classificatie der vermogens, hoewel deze niet zonder belang is, maar veeleer zijn opvatting van ziel en vermogens. We zullen deze in hoofdtrekken nagaan.